‘Islam Ahmadiyyat & het winnen van de harten van de mensen’ | Vrijdagpreek Hazrat Khalifa-tul-Masih V(aba) | 11 augustus 2023

Feature image
Feature image

Klik hier om de video te bekijken

Na het reciteren van Tashahhud, Ta’awwuz en Surah al-Fatihah, zei Zijne Heiligheid, Hazrat Mirza Masroor Ahmad(aba) dat de zegeningen van God over de gemeenschap van de Beloofde Messias(as) zijn vermeld in het verslag van Jalsa Salana. Zijne Heiligheid (aba) zei dat hij had vermeld dat er te veel incidenten waren om op te noemen. Veel mensen schrijven incidenten over hoe de harten van mensen zijn veranderd, het geloof is versterkt en de tegenstanders zijn verslagen. Zijne Heiligheid (aba) zei dat hij vandaag nog een aantal van deze incidenten zou noemen, omdat ze middelen blijken te zijn om het geloof van mensen te vergroten.

Voorbeelden van vrome zielen die naar de ware islam worden aangetrokken

Zijne Heiligheid (aba) zei dat na het horen van het programma van de Gemeenschap op de radio in Congo-Kinshasa, een lokale Imam contact opnam met de Gemeenschap en uiteindelijk trouw beloofde. Daarna begon hij de boodschap van Islam Ahmadiyyat te prediken, waardoor anderen zich ook bij de gemeenschap aansloten.

Zijne Heiligheid(aba) zei dat in Guinee-Bissau een Imam zei dat hij altijd had gehoord dat Ahmadi’s de Heilige Profeet(sa), de Koran of Hadith niet accepteren. Hij zei echter dat hij naar het programma (jalsa) op MTA keek en zag dat Zijne Heiligheid(aba) sprak in het licht van de leer van de Heilige Profeet(sa), de Koran en Hadith. Hierop realiseerde hij zich dat alles wat over de gemeenschap werd verspreid leugens waren en dat de realiteit totaal anders was. Uiteindelijk accepteerde de Imam Ahmadiyyat, en werkt nu actief in de prediking. Zijne Heiligheid (aba) zei dat de tegenstanders in Pakistan zich niet alleen tegen ons moeten verzetten omwille van de oppositie. In plaats daarvan moeten ze eerst echt de leer van Ahmadiyyat bestuderen en dan aan tafel komen. Dit is precies wat de Beloofde Messias(as) bij verschillende gelegenheden heeft verklaard, toen hij zich tot de tegenstanders richtte.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat er in een stad in Burundi veel oppositie is tegen de Gemeenschap. De imam van de plaatselijke soennitische moskee probeerde er alles aan te doen om de moskee van de gemeenschap te laten sluiten. De plaatselijke Ahmadi-zendeling nodigde die Imam uit voor een gesprek. Hun discussie leidde hen naar het onderwerp van de dood van Jezus(as), Aangezien die Imam geen antwoord had, begon hij de lokale missionaris te bestrijden. Een aanwezige christen steunde echter het standpunt van de gemeenschap en zei dat ons concept van Islam veel logischer was. Hierop begonnen de soennitische Imam en anderen van hun moskee onderling ruzie te maken, waarop de regering moest ingrijpen en zelfs hun moskee voor drie maanden sloot. Zijne Heiligheid (aba) zei dat geestelijken in Pakistan ook pogingen doen om de moskeeën van de Ahmadiyya Moslim Gemeenschap te sluiten, en als ze niet in staat zijn om ze te sluiten, dan pleiten ze ervoor om de minaretten van onze moskeeën neer te halen. Echter, nergens in de Pakistaanse wet staat dat Ahmadi’s geen minaretten mogen hebben. Zijne Heiligheid (aba) zei dat ondanks hun pogingen om ons kwaad te doen, deze mensen zelf zullen omkomen.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat het onze gemeenschap in Pakistan niet is toegestaan om de Heilige Koran te publiceren, zelfs niet zonder een begeleidende vertaling. In feite zijn er zaken aangespannen tegen Ahmadi’s die alleen maar naar opnames van de Heilige Koran luisteren. Echter, over de hele wereld publiceren en verspreiden wij de Heilige Koran en vertalen wij het ook in verschillende talen, waardoor meer en meer mensen tot de Islam worden aangetrokken.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat in Tanzania een lokale Imam naar een gebied ging om flyers te verspreiden en hij zou ook boeken verkopen. Op een dag kreeg hij een telefoontje uit een dorp dat 30 kilometer verderop lag en zei dat hij wel een exemplaar van de Koran in de buurt kon vinden, maar dat hij alleen een exemplaar van de vertaling van de Heilige Koran van de Gemeenschap wilde hebben, omdat dat de enige is die echt zinvol is.

Zijne Heiligheid(aba) zei dat de ware leer van de Islam en het ware geloof in God zich vestigen in zuivere moslims als gevolg van de leerstellingen van de gemeenschap en de geschriften van de Beloofde Messias(as). Op een boekenbeurs bekeek een computeringenieur de boeken van de Beloofde Messias(as). Hij ging toen naar de aanwezige Missionaris en zei dat hij moslim was vanwege deze Gemeenschap. Hij zei dat hij zich van het geloof was gaan verwijderen en atheïst was geworden. Zijn vader had thuis enkele boeken van de Beloofde Messias(as), die hij begon te lezen, en het was als gevolg van het lezen van deze boeken dat zijn geloof en geloof in God werden hersteld.

Ware Islamitische Leer verandert de gedachten van niet-moslims

Zijne Heiligheid (aba) zei dat in de Westerse wereld, op plaatsen zoals Zweden en Denemarken, de Heilige Koran niet wordt gerespecteerd en zelfs verbrand. Maar toch, op deze zelfde plaatsen, wanneer de prachtige leringen van de Islam worden gepresenteerd, veranderen het gedrag en het concept van de Islam van de tegenstanders. Vandaag de dag is het de Ahmadiyyat Moslim Gemeenschap die er echt naar streeft om mensen te verlichten over de ware status en leringen van de Heilige Koran.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat een Duitse vrouw een tentoonstelling bezocht die was opgezet over de Gemeenschap, waarvan een deel liet zien hoe de Islam geen extremistische religie is. Die vrouw zei dat de gemeenschap de islam op een begrijpelijke manier had gepresenteerd en dat er geen reden was om de islam en de Koran te bestrijden.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat in Tsjechië een jongere een kraam bezocht die door de gemeenschap was opgezet en zei dat hij tot de conclusie was gekomen dat God bestaat, maar dat hij niet zeker wist welke religie hem kon helpen God te bereiken. Uiteindelijk kwam hij tot de conclusie dat het de Ahmadiyyat Moslim Gemeenschap was die hem kon helpen God te bereiken en zijn spiritualiteit te vergroten. De geestelijken zouden ons moeten vertellen wie er echt voor werkt, dat de Koran de mensen bereikt en hun harten binnendringt.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat er ook incidenten zijn over hoe God de paden opent voor verspreiding, ondanks dat er soms hindernissen zijn. Tijdens de Jalsa Salana in Mali was er een persoon uit een dorp aanwezig die zei dat er een groep moslims is die zich niet aan de zuilen van de Islam houdt en gebeden aanbiedt. Die persoon behoorde ook tot die groep, maar zijn hart was niet tevreden. Op een dag kwam hij in aanraking met het radiostation van de gemeenschap en hoorde een programma waarin de manier van bidden werd onderwezen. Hij bleef vervolgens naar dat radiostation luisteren en leerde veel. De mensen in zijn dorp vertelden hem dat Ahmadi’s uit de islam waren verbannen. Toen hij echter zag hoe Ahmadi’s bidden, was zijn hart tevreden in de wetenschap dat dit de ware Islam was en zo trad hij toe tot de kudde van Ahmadiyyat.

Zijne Heiligheid(aba) dat het Ahmadi’s in Pakistan verboden is om de Heilige Koran te lezen of zelfs maar te beluisteren, maar dat de gemeenschap juist door dit boek te verspreiden de boodschap van de Islam over de hele wereld verspreidt. In Micronesië nam iemand contact op met de missionaris om een kopie van de Heilige Koran te verkrijgen. Later zei hij dat hij zijn hele leven de Bijbel had gelezen, maar dat het hem nooit helemaal goed was gevallen en dat hij het nooit helemaal had kunnen begrijpen. Maar toen hij de Heilige Koran las, was het alsof elk woord recht zijn hart binnenkwam. Hij was verbaasd over hoe hij zijn hele leven verstoken was gebleven van de leer van de Koran. Hij vertelde zijn moeder en familieleden thuis dat hij de Islam Ahmadiyyat ging accepteren. Zijn familie kastijdde hem en zei dat hij iets verkeerds deed. Hij bleef echter vastberaden en zei dat niets hem zou weerhouden van de waarheid, en dus ging hij verder naar de moskee en aanvaardde Islam Ahmadiyyat.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat er op een eiland in de Filippijnen 139 mensen waren die Ahmadiyyat aanvaardden, waaronder een schooldirecteur en vier Imams van een moskee. Een van de Imams zei dat zijn moskee nu behoorde tot de Ahmadiyya Moslim Gemeenschap. Deze Imam brengt ook financiële offers en hij zei eens dat op een dag, nadat hij wat financiële offers had gebracht, God hem de volgende dag op de een of andere manier geld schonk dat het dubbele was van het bedrag dat hij had opgeofferd.

Allah leidt de mensen naar de waarheid

Zijne Heiligheid (aba) zei dat er in Spanje een man was die zich tot de Islam had bekeerd. Eens in een droom zag hij de Beloofde Messias (as) die hem uit nodigde tot vrede. Later liet zijn vrouw hem iets zien op het internet, toen hij een foto van de Beloofde Messias(as) zag en zich realiseerde dat dit dezelfde persoon uit zijn droom was. Toen zag hij nog een droom waarin de Beloofde Messias(as) hem vertelde dat hij de Beloofde Messias en Imam Mahdi was. Hij accepteerde Ahmadiyyat echter niet meteen en bleef verder studeren over de gemeenschap. Toen zag hij een derde droom waarin hij ongenoegen kon zien in de uitdrukking van de Beloofde Messias(as). Hierop beloofde hij trouw en trad toe tot de kudde van Ahmadiyyat.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat in Burkina Faso een groep Wahhabis naar het huis van een lokale missionaris ging en hem aanspoorde om Ahmadiyyat af te zweren, anders zouden ze hem vermoorden. Hij antwoordde stoutmoedig dat ze hem konden doden, maar dat hij Ahmadiyyat nooit zou verlaten. De geestelijken vertrokken en de lokale Ahmadi’s spoorden hem aan om zijn huis te verlaten en naar Dori te gaan. Die nacht bleef hij in gebed op zoek naar leiding, en zag een droom waarin een persoon genaamd Ismail hem vertelde om naar Dori te gaan. Daarom vertrok hij de volgende ochtend naar Dori. Toen hij Dori bereikte, vernam hij dat er gewapende terroristen bij zijn huis waren verschenen. Dus op deze manier redde God hem.

(Dit zijn slechts een paar voorbeelden van de verschillende incidenten die Zijne Heiligheid(aba) deelde)

Zijne Heiligheid(aba) zei dat over de hele wereld Gods hulp voor de Beloofde Messias(as) en zijn Gemeenschap duidelijk is. Deze incidenten zijn het grootste bewijs van de waarachtigheid van de Ahmadiyyat Moslim Gemeenschap, en deze incidenten versterken het geloof van de mensen. Zijne Heiligheid (aba) bad dat de ogen van de wereld geopend mogen worden en dat zij in staat mogen zijn om de waarheid te accepteren.

Begrafenisgebeden

Zijne Heiligheid(aba) zei dat hij enkele overleden leden van de gemeenschap zou noemen van wie hij het begrafenisgebed zou leiden.

Alvorens dit te doen, zei Zijne Heiligheid(aba) dat in het licht van het Covid virus, dat zich weer begint te verspreiden, mensen voorzichtig moeten zijn.

Hieronder volgen de overleden leden:

Amatul Hadi

Amatul Hadi, vrouw van Pir Ziauddin. Ze was de dochter van Dr Mir Muhammad Ismail. Haar zoon is de Vice Amir van Islamabad, een andere zoon werkt als administrateur in het Fazle Umar Ziekenhuis en ze heeft twee dochters. Amatul Hadi verrichtte regelmatig gebeden, gaf aalmoezen en was actief in de gemeenschap. Ze raadde altijd aan om voor de armen te zorgen. Elk jaar deed ze twee grote donaties aan Humanity First. Ze sprak nooit slecht over anderen. Ze hield veel van Khilafat en keek regelmatig naar MTA. Ze leerde haar kinderen de literatuur van de gemeenschap te lezen. Ze beloonde haar kleinkinderen als ze een nieuw hoofdstuk van de Heilige Koran hadden geleerd. Zijne Heiligheid (aba) bad dat Allah haar vergiffenis en barmhartigheid moge schenken, haar status mocht verhogen en haar kinderen in staat mocht stellen de erfenis van haar deugden voort te zetten.

Saqib Kamran

Saqib Kamran, die een toegewijde was en diende als Naib Wakil Sami wa Basri. Artsen geloven dat zijn overlijden te wijten was aan voedselvergiftiging. Een andere tragedie is dat ongeveer 35 minuten eerder zijn zoon ook overleed, nadat hij hetzelfde voedsel had gegeten. Hij wordt overleefd door een dochter en twee zonen. De hele familie werd ziek, maar Allah redde de anderen. Hij diende in verschillende afdelingen en capaciteiten. Hij diende de gemeenschap 18 jaar lang. Hoewel geboren voor het begin van de Waqfe Nau regeling, verzocht zijn moeder de Vierde Kalief (rh) om hem in de regeling op te nemen, en de Vierde Kalief (rh) accepteerde dit verzoek. Hij was erg aardig, zorgzaam en zorgde voor iedereen. Hij streefde ernaar om zijn kinderen op de beste manier op te voeden en te trainen. Hij verrichtte regelmatig gemeenschappelijke gebeden en droeg zijn kinderen op hetzelfde te doen. Hij was erg nederig, zorgde voor de behoeftigen en voedde zijn kinderen op een uitstekende manier op. Zijne Heiligheid (aba) bad dat Allah hem vergiffenis en barmhartigheid moge schenken, zijn positie verheffen, zijn familie geduld schenken en zijn kinderen in staat stellen om de erfenis van zijn deugdzaamheid voort te zetten.

Professor Dr. Muhammad Ishaaq Dawuda

Professor Doctor Muhammad Ishaaq Dawuda van Benin, die onlangs is overleden. Hij was een student toen hij Ahmadiyyat accepteerde. Daarna predikte hij de boodschap aan zijn ouders, waardoor zij Ahmadiyyat accepteerden. Hij behaalde zijn PhD in Zoölogie in Senegal. Hij was voorzitter van de Nationale Ahmadiyya Moslim Jeugdvereniging in Benin. Zijn vrouw accepteerde ook Ahmadiyyat als gevolg van zijn prediking nadat ze getrouwd waren. Hij kreeg ook te maken met tegenstand, maar hij bleef altijd eerlijk en sterk in zijn geloof, zelfs toen mensen probeerden hem uit zijn functie van vice decaan+- te zetten. Hij hielp altijd de behoeftigen en gaf hen alles wat hij op dat moment op zak had. Hij had veel vertrouwen in God en had veel liefde voor de Heilige Profeet (sa), de Beloofde Messias (as) en Khilafat. Hij glimlachte altijd en ongeacht de moeilijkheden zou hij bidden en schrijven naar de Kalief. Hij wordt overleefd door zijn vrouw, twee dochters en twee zonen. Zijne Heiligheid (aba) bad dat zijn kinderen in de voetsporen van hun vader mogen treden, en dat Allah de Almachtige vergiffenis en genade moge schenken aan de overledene en zijn positie mag verhogen.

OPMERKING: Ishaat team van Majlis Khuddam-ul-Ahmadiyya NL neemt de volledige verantwoordelijkheid voor eventuele fouten of miscommunicatie in deze samenvatting van de vrijdagpreek.

‘De ware geest van Jalsa vestigen’ | Vrijdagpreek Hazrat Khalifa-tul-Masih V(aba) | 28 juli 2023

Feature image
Feature image

Klik hier om de video te bekijken

Na het reciteren van Tashahhud, Ta`awwuz, en Surah al-Fatihah, zei Zijne Heiligheid, Hazrat Mirza Masroor Ahmad(aba) dat door de genade van Allah, vandaag de Jalsa Salana (jaarlijkse conventie) UK van start gaat.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat het nu ongeveer vier decennia geleden is dat de Kalief aanwezig was op deze conventie in het Verenigd Koninkrijk. In het begin, vanwege de uitgebreide organisatie van het evenement, moest er veel geleerd worden aan de lokale leden, en dus gaf de Vierde Kalief(rh) persoonlijke aandacht aan het onderwijzen van leden over de organisatie van Jalsa. De eerste volledige Jalsa in aanwezigheid van de Vierde Kalief was in 1985 en had een opkomst van ongeveer 5.000 mensen. Op dat moment waren de organisatoren bezorgd over hoe ze zo’n groot aantal konden ontvangen. Maar nu is dat de opkomst alleen al bij de Khuddam of Lajna Ijtemas (bijeenkomsten) die elk jaar worden gehouden.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat dit jaar, omdat de volledige Jalsa weer wordt gehouden na een gat van een paar jaar, de organisatoren opnieuw bezorgd zijn, vooral in het licht van de meer dan 40.000 bezoekers die worden verwacht. De medewerkers van Jalsa, jong en oud, zijn nu echter zo ervaren dat ze hun taken op een uitstekende manier kunnen uitvoeren.

Alle ervaring en bekwaamheid is verkregen door de zegeningen van Allah

Zijne Heiligheid(aba) zei dat hij vorige week alle verschillende taken had geïnspecteerd en dat hij had gemerkt dat iedereen erg zelfverzekerd en deskundig was over hun afdeling, wat hielp om veel van de eerdere angsten van de organisatoren weg te nemen. Alle overgebleven zorgen van de organisatoren zullen zeker verdwijnen, als God het wil. Voorwaarde is wel dat we onze aandacht altijd richten op het oogsten van de zegeningen van Allah de Almachtige. We bereiken geen ervaring door onze eigen capaciteiten, maar alleen door de zegeningen van Allah de Almachtige.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat hij in de vorige preek kort had geschetst dat alle werkers van Jalsa hun werk moeten uitvoeren met inspanning, gebeden tot Allah de Almachtige en met het vertonen van de hoogste normen van moraal. Het is dan dat Allah de Almachtige Zijn zegeningen zal schenken in het werk dat gedaan wordt. Iedereen dient zich te herinneren dat zij hun diensten vrijwillig hebben aangeboden omwille van de gasten van de Beloofde Messias (as) en dat zij uitsluitend omwille van het geloof bijeen zijn gekomen. Daarom is het juist deze passie waarmee zij zich vrijwillig hebben aangemeld dat zij hun werk voor de duur van hun taken moeten uitvoeren. Tegelijkertijd moeten de werkers niet vergeten dat ze ook Allah de Almachtige moeten aanbidden en hun gebeden moeten onderhouden.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat iemand niet moet denken dat hij zijn werk heeft gedaan door simpelweg zijn plicht te doen, maar dat hij ervoor moet zorgen dat hij zijn aanbidding en zijn gebeden handhaaft en onderhoudt.

Zijne Heiligheid(aba) zei dat hij ook een aantal punten wil benadrukken voor de deelnemers aan de Jalsa. Deze leiding zou niet alleen maar iets moeten zijn wat gezegd en gehoord wordt, maar deze dingen zouden ook allemaal uitgevoerd moeten worden.

Deze Conventie is niet zoals elke andere wereldse bijeenkomst

Zijne Heiligheid(aba) zei dat ten eerste alle aanwezigen zich de uitspraak van de Beloofde Messias(as) moeten herinneren dat dit niet is als een wereldse bijeenkomst. Integendeel, het bijwonen van deze Jalsa heeft een doel; dat doel is het verbeteren van onze spirituele, intellectuele en morele staat. Het is om liefde voor God en Zijn Boodschapper (sa) te vestigen. Als dit de focus is, dan zal men niet aangetrokken worden tot wereldse zaken. Als er dan toch organisatorische tekortkomingen zijn, zullen die gemakkelijk over het hoofd gezien worden en zal men onaangedaan blijven, omdat het doel is om de spirituele en morele toestand te verbeteren, wat bereikt kan worden door de verschillende toespraken die tijdens de Jalsa gehouden worden. Daarom zou iedere bezoeker ervoor moeten zorgen dat ze, in plaats van rond te dwalen, de volledige procedure van de Jalsa bijwonen.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat ook de tijd tussen de sessies verstandig gebruikt moet worden. Natuurlijk is die tijd bedoeld om te eten, gebeden aan te bieden en vrienden te ontmoeten, maar zelfs dan moet de tijd niet worden verspild door simpelweg te winkelen in de bazaar. In plaats daarvan zouden de bezoekers gebruik moeten maken van dingen zoals de boekenkraam of verschillende tentoonstellingen zoals die van Makhzan-e-Tasaweer, The Review of Religions, de Tabligh Afdeling of de Archief Afdeling.

Primaire focus van het bijwonen van de Jalsa

Zijne Heiligheid (aba) zei dat wanneer de primaire focus van het bijwonen van deze Jalsa het verbeteren van iemands spiritualiteit en moraliteit is, dit op natuurlijke wijze de wederzijdse banden van liefde zal vergroten. Als er zwakke punten zijn in de organisatie, dan zullen die gemakkelijk over het hoofd worden gezien. Er zal zo een prachtige sfeer ontstaan die echt een weerspiegeling is van ware gelovigen. Omgekeerd, als aanwezigen beginnen te zoeken naar fouten en dingen om over te klagen, dan zullen ze zeker in zo’n grote en tijdelijke operatie fouten vinden, maar dan zal dit een sfeer creëren die in tegenspraak is met het ware doel van deze Jalsa.

Zijne Heiligheid(aba) zei dat bijvoorbeeld altijd alles in het werk wordt gesteld om ervoor te zorgen dat de juiste hoeveelheden voedsel worden bereid voor de gasten. Het is echter mogelijk dat er een moment is dat er een afwijking is in die schatting. Als dit gebeurt, dan moeten de gasten de excuses van de organisatoren van harte accepteren.

Zijne Heiligheid(aba) zei dat de Beloofde Messias(as) een voorbeeld voor ons heeft gesteld over wat er onder zulke omstandigheden gedaan moet worden. Op een keer, tijdens een reis, was de Beloofde Messias(as) druk bezig met zijn werk, en at niet van het avondeten totdat alle andere gasten bediend waren. De organisatoren zetten het eten neer en raapten het later op, zich niet realiserend dat omdat hij druk bezig was met zijn werk, de Beloofde Messias(as) nog niet gegeten had. Later, toen de Beloofde Messias(as) vroeg of er nog eten was, werden de organisatoren uiterst bezorgd, want nadat alle gasten en later de arbeiders gegeten hadden, was er geen eten meer over. Het was ook laat, dus er kon niets besteld worden op de markt. De arbeiders waren uiterst bezorgd en probeerden uit te vinden wat er op dat moment voor de Beloofde Messias(as) gekookt kon worden. De Beloofde Messias(as) hield hen echter tegen en zei dat er nog wat overgebleven stukken platbrood moesten zijn en dat die voldoende zouden zijn.

Zijne Heiligheid(aba) zei dat als de Beloofde Messias(as) had gevraagd om eten te koken, de arbeiders zeiden dat ze dat graag hadden gedaan. Echter, de Beloofde Messias(as) dacht aan hen en zei dat het niet nodig was om zich zorgen te maken. Daarom was dit het voorbeeld dat hij stelde en dat wij moeten volgen. Als sommige deelnemers aan de Jalsa niet in staat zijn om op tijd te eten, moeten ze geen ophef maken, maar tevreden zijn met wat ze krijgen. Op dezelfde manier onderwees de Beloofde Messias(as) ook dat er nooit voedsel verloren mocht gaan, aangezien hij alle stukken platbrood at die over waren.

Zijne Heiligheid(aba) zei dat men altijd moet onthouden dat de mensen die in verschillende afdelingen werken geen professionals zijn in die afdelingen, maar vrijwilligers. Daarom moeten hun inspanningen altijd gewaardeerd worden.

Het belang van een hoge moraal

Zijne Heiligheid (aba) zei dat er zonder moraal niets is. Om de juiste omgeving te creëren tijdens Jalsa, kan het niet zo zijn dat alleen de werknemers een goede moraal hebben, maar moeten alle aanwezigen ook de hoogste normen van moraal vertonen. Op dezelfde manier, zoals in een gezegde van de Heilige Profeet (sa) staat, is glimlachen liefdadigheid, en dit moet ook altijd in gedachten worden gehouden.

Zijne Heiligheid(aba) zei dat met betrekking tot het vertonen van een hoge moraal tijdens Jalsa, de Beloofde Messias(as) zei dat iemands geloof niet compleet kan zijn totdat hij het comfort van zijn broeder voorrang geeft boven zijn eigen comfort. De Beloofde Messias(as) zei dat als een persoon die in goede gezondheid verkeert op een bed slaapt en een ander slaapt op de grond, en degene die op het bed ligt geeft zijn bed niet op voor de persoon op de grond, dan zou dat erg jammer zijn. Op dezelfde manier, als iemand hard zou spreken, dan zou men geduldig moeten blijven en in gebed huilen voor die persoon. Dit zijn slechts enkele van de basismoralen die altijd tentoongespreid zouden moeten worden en die vooral tijdens de dagen van Jalsa in praktijk gebracht zouden moeten worden. Het is juist deze mentaliteit die een ongerepte samenleving tot stand kan brengen.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat het is geen gemakkelijke taak om de rechten van anderen te vervullen. Daarom moet iedereen altijd de mentaliteit hebben dat ze voorrang moeten geven aan anderen en hun rechten boven hun eigen rechten, en dit doen met de intentie om het plezier van Allah te bereiken. Zo’n mentaliteit kan zorgen voor een vreedzame en liefdevolle samenleving. Een samenleving waarin het zielig is voor iemand om hardheid te beantwoorden met hardheid en in plaats daarvan bidden ze ernstig voor degene die hard tegen hen sprak, zou inderdaad een buitengewone samenleving zijn.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat als deze zaken centraal staan tijdens de drie dagen van de Jalsa, het ware doel van het samenkomen op deze conventie bereikt zal worden. Soms verliezen mensen hun humeur, zowel de aanwezigen als sommige werknemers. Echter, als mensen hun emoties niet onder controle kunnen houden, dan moeten ze niet aanwezig zijn of vrijwilligerswerk doen. Soms, als de ruimte vol is en de gasten ergens anders heen worden gestuurd, worden ze woedend en denken ze dat dit hun plannen om de Jalsa bij te wonen in de war zal sturen, terwijl de medewerkers geen andere keuze hebben dan hen naar een andere ruimte te sturen. Als mensen er zo op gebrand zijn, moeten ze op tijd komen. Ook de vrijwilligers moeten niet snel boos worden.

Zijne Heiligheid(aba) bad dat er zelfs geen enkel voorbeeld van harde behandeling komt, en dat geen enkele werker in dit opzicht op de proef wordt gesteld. Zijne Heiligheid(aba) bad dat deze dagen niet beperkt zouden moeten blijven tot het zingen van gedichten en het uiten van liefde, maar dat de training die in deze drie dagen wordt ontvangen zodanig zou moeten zijn dat er werkelijk liefde en harmonie in de hele samenleving ontstaat.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat gasten geen hoge verwachtingen van gemak en luxe moeten hebben. Soms stellen degenen die geen familieleden in de buurt hebben en hun verblijf wordt georganiseerd door de Jalsa organisatie eisen, echter zulke eisen die moeilijk in te willigen zijn. Over het algemeen zijn mensen erg begripvol in dit opzicht. Zijne Heiligheid (aba) zei bijvoorbeeld dat er een familie was die hij een paar dagen geleden ontmoette en die, alleen op zijn vraag en niet in de vorm van een klacht, hem vertelde dat hoewel ze de administratie ruim van tevoren hadden geïnformeerd over hun komst en verblijf, er een miscommunicatie was waardoor hun accommodatie niet was geregeld. In plaats van ophef te maken, maakten ze hun eigen afspraken met een familielid, ook al was het huis van hun familielid klein en moesten ze op matrassen op de grond slapen, maar ze waren er blij mee. De gastheren moeten dus hun uiterste best doen om het de gasten naar de zin te maken en de gasten moeten hun uiterste best doen om tevreden te blijven en kleine moeilijkheden te verdragen omwille van Allah’s welbehagen.

Een sfeer van liefde en harmonie creëren

Zijne Heiligheid (aba) zei dat de Heilige Profeet (sa) onderwees dat om een sfeer van vrede en harmonie te creëren, men de behoeftigen moet voeden en vredesgroeten moet overbrengen aan iedereen, of men hen nu kent of niet. Zo veel van de strijd in de wereld is te wijten aan tekorten of kosten van voedsel en basisbehoeften, en als dit principe van de Heilige Profeet (sa) in gedachten werd gehouden dan zou het een enorme voorstander zijn van het vestigen van vrede. Bovendien roept het overbrengen van vredesgroeten en het vestigen ervan als norm van nature positieve gedachten en gevoelens voor elkaar op. Vandaar dat dezelfde omgeving moet worden gevestigd op Jalsa, en vervolgens weerspiegeld in de samenleving. In feite is dit ook een middel om af te rekenen met vijandschap en wrok.

Algemene richtlijnen voor Jalsa

Zijne Heiligheid(aba) zei dat er enkele algemene zaken zijn met betrekking tot Jalsa die iedereen in gedachten zou moeten houden. Iedereen moet rustig en aandachtig luisteren naar de Jalsa procedure. Het mag niet zo zijn dat er alleen geluisterd wordt naar geselecteerde toespraken en dat andere toespraken genegeerd worden. Vervolgens moet er speciale aandacht zijn tijdens de dagen van Jalsa om bezig te blijven met het gedenken van Allah en het zenden van groeten aan de Heilige Profeet (sa) door middel van durood sharif. Vooral omdat we door de maand Muharram gaan en het vandaag de 10e Muharram is, zou er een nadruk moeten liggen op het reciteren van durood sharif met het gebed dat God de positie en rang van de Heilige Profeet(sa) blijft verhogen, zijn boodschap blijft laten zegevieren en deze ummah blijft redden van vernietiging. Het was op deze dag dat in naam van de eer van de Heilige Profeet(sa), de familie van de Heilige Profeet(sa) werd gemarteld. Vandaag de dag wordt de ware spirituele familie van de Heilige Profeet(sa) vervolgd en dit wordt gedaan door degenen die beweren dit te doen in de naam van de Heilige Profeet(sa). Wat zij zich echter niet realiseren is de diepe liefde die de Beloofde Messias(as) had voor de Heilige Profeet(sa), een liefde waar zelfs de engelen van getuigden, en alles wat hem door God geschonken werd was te danken aan zijn liefde en toewijding voor de Heilige Profeet(sa).

Zijne Heiligheid(aba) bad dat de zegeningen die beloofd waren aan de Heilige Profeet(sa) zich snel over de wereld mogen verspreiden.

Zijne Heiligheid(aba) zei dat het ook de kinderen moet worden ingeprent dat ze met grote aandacht naar de handelingen van de Jalsa moeten luisteren. Op dezelfde manier moet elke bezoeker van de Jalsa zich bewust blijven van zijn omgeving vanuit het oogpunt van veiligheid.

Zijne Heiligheid (aba) bad dat alle aanwezigen op de beste manier mogen profiteren van de Jalsa, dat iedereen beschermd mag worden tegen alle kwaad, en dat Allah Zijn zegeningen over iedereen mag blijven uitstorten.

OPMERKING: Ishaat team van Majlis Khuddam-ul-Ahmadiyya NL neemt de volledige verantwoordelijkheid voor eventuele fouten of miscommunicatie in deze samenvatting van de vrijdagpreek.

‘Het leven van de Heilige Profeet (vzmh) & Leidraad voor Jalsa- werkers: “Blijf lachen”‘ | Vrijdagpreek Hazrat Khalifa-tul-Masih V(aba) | 21 juli 2023

Feature image
Feature image

Klik hier om de video te bekijken

Na het reciteren van Tashahhud , Ta’awwuz en Surah al- Fatihah , zei Zijne Heiligheid, Hazrat Mirza Masroor Ahmad (aba) dat hij incidenten uit het leven van de Heilige Profeet (vzmh) had genoemd met betrekking tot de Slag bij Badr.

Vriendelijke behandeling van krijgsgevangenen

Zijne Heiligheid (aba) zei dat na de slag de ook de oom van de Heilige Profeet (vzmh), Abbas, tot de krijgsgevangenen behoorde. Toen de gevangenen naar de Heilige Profeet (vzmh) werden gebracht , kon hij ‘s nachts niet slapen. Iemand vroeg de Heilige Profeet (vzmh) waarom hij niet kon slapen, waarop hij antwoordde dat het kwam door het gehuil van Abbas. Vandaar dat iemand de ketenen van Abbas ging losmaken. Toen vroeg de Heilige Profeet (vzmh) wat er gebeurde, aangezien hij de kreten van Abbas niet meer hoorde. Toen hem werd meegedeeld dat zijn kettingen waren losgemaakt, gaf de Heilige Profeet (vzmh) opdracht om hetzelfde te doen voor alle gevangenen, zodat er geen voorkeursbehandeling was.

Zijne Heiligheid (aba) citeerde Hazrat Mirza Bashir Ahmad (ra) , die schrijft:

De Heilige Profeet ( sa ) verbleef drie dagen in de vallei van Badr. Deze tijd werd besteed aan het omhullen en begraven van de martelaren en het verzorgen van de gewonden. Evenzo was het tijdens deze dagen dat de buit werd verzameld en gesorteerd. De gevangenen van de ongelovigen, wat neerkwam op zeventig, werden veiliggesteld en onder de hoede gesteld van verschillende moslims. De Heilige Profeet (vzmh) gaf de moslims strikt de opdracht om de gevangenen zachtaardig en vriendelijk te behandelen; en om ervoor te zorgen dat hun comfort werd verzorgd. De metgezellen, die een hartstochtelijke liefde bezaten om elk verlangen van hun Meester te vervullen , volgden deze vermaning zo wonderbaarlijk op dat zoiets in de geschiedenis van de wereld niet te vinden is. Vandaar dat van deze gevangenen een gevangene genaamd Abu ‘Aziz bin’ Umair vertelt dat:

“Vanwege de vermaning van de Heilige Profeet (vzmh) , gaven de Ansar mij gebakken brood, maar zij zelf leefden van dadels, enz. Vaak gebeurde het dat zelfs als ze erin slaagden een klein stukje brood te bemachtigen, ze het aan mij zouden geven en het zelf niet zouden opeten. Als ik het ooit beschaamd aan hen zou teruggeven, zouden ze erop staan dat ik het zou houden.

De gevangenen die niet voldoende kleding hadden, kregen kleding. Als zodanig gaf ‘Abdullah bin Ubayy ‘Abbas zijn hemd.

Sir William Muir beaamt de vriendelijke behandeling van deze gevangenen met de volgende woorden:

‘In navolging van Mohammeds bevelen ontvingen de burgers van Medina, en die vluchtelingen die al hun eigen huizen hadden, de gevangenen en behandelden ze met veel respect. ‘Gezegend zij met de mannen van Medina!’ zei een van deze gevangenen later: ‘ze lieten ons rijden, terwijl ze zelf liepen: ze gaven ons tarwebrood te eten als er weinig van was, en stelden zich tevreden met dadels.’ Het is niet verwonderlijk dat toen, enige tijd later, hun vrienden kwamen om hen los te kopen, verscheidene van de aldus ontvangen gevangenen zich aanhangers van de islam verklaarden… Hun vriendelijke behandeling werd aldus verlengd en liet een gunstige indruk achter, zelfs bij degenen die niet meteen tot de islam overgingen.”’ (The Life & Character of the Seal of Prophets (sa) , Vol. 2 pp. 156-157 )

Hoe de overwinning bij Badr de tegenstanders van de islam beïnvloedde

Zijne Heiligheid (aba) zei dat toen het nieuws over de overwinning van de moslims Medina bereikte, Ka’b bin Ashraf het probeerde te weerleggen. In werkelijkheid. Bij het zien van deze overwinning en hoe de moslims de grote leiders van Mekka hadden verslagen, werd het Joodse volk erg jaloers.

Zijne Heiligheid (aba) citeerde Hazrat Mirza Bashir Ahmad (ra) , die schrijft:

‘Tot nu toe waren veel mensen van de stammen Aus en Khazraj nog steeds overtuigd van het polytheïsme. De overwinning van Badr resulteerde in een beweging onder deze mensen, en toen ze getuige waren van deze prachtige en buitengewone overwinning, raakten veel mensen onder hen overtuigd van de waarheid van de islam. Daarna begon het element van afgodenaanbidding zeer snel af te nemen in Medina. Er waren echter ook sommigen in wiens hart deze overwinning van de islam een vuur van wrok en jaloezie had aangewakkerd. Omdat ze het onverstandig vonden om zich openlijk te verzetten, accepteerden ze blijkbaar de islam, maar van binnenuit probeerden ze het uit te roeien en sloten zich aan bij de partij van de huichelaars. De meest prominente onder de laatste klasse mensen was ‘Abdullah bin Ubayy bin Sulul , een zeer gerenommeerd hoofdman van de Khazraj- stam. Vanwege de komst van de Heilige Profeet (vzmh) naar Medina, had hij al de schok geleden dat zijn leiderschap van hem werd afgenomen. Na Badr werd deze persoon vanaf het begin een moslim, maar zijn hart was verzadigd van kwaadaardigheid en vijandigheid jegens de islam. Hij werd de leider van de hypocrisie en begon in het geheim een reeks samenzweringen tegen de islam en de Heilige Profeet (vzmh) te smeden . Als zodanig zal uit de gebeurtenissen die zich hierna ontvouwden duidelijk worden dat deze persoon bij bepaalde gelegenheden een middel werd om zeer delicate situaties voor de islam te creëren.’ (The Life & Character of the Seal of Prophets (sa), Vol. 2 pp. 172-173)

Zijne Heiligheid (aba) citeerde verder Hazrat Mirza Bashir Ahmad (ra) die schrijft:

‘De slag van Badr had een diepe en blijvende uitwerking op zowel de ongelovigen als de moslims. Het is om deze reden dat deze strijd een duidelijke betekenis heeft in de geschiedenis van de islam; zozeer, dat de Heilige Koran deze strijd ” Yaumul -Furqan” heeft genoemd, dwz de dag waarop een duidelijk onderscheid werd gemaakt tussen islam en ongeloof. Het lijdt geen twijfel dat er daarna nog andere oorlogen plaatsvonden tussen de Quraish en de moslims, en sommige waren enorm hevig. Soms werden de moslims geconfronteerd met delicate situaties, maar in de slag bij Badr was de ruggengraat van de Quraish gebroken, die daarna niet meer permanent kon worden hersteld door een chirurgische ingreep. Wat het aantal slachtoffers betreft, was dit geen grote nederlaag. De dood van zeventig of tweeënzeventig krijgers voor een volk als de Quraish kan op geen enkele manier worden beschouwd als een nationale verwoesting. In de slag om Uhud was dit het aantal moslimslachtoffers. Dit verlies bleek echter niet eens een tijdelijke belemmering te zijn op de zegevierende weg van de moslims. Waarom werd de slag bij Badr dan Yaumul -Furqan genoemd ? In antwoord op deze vraag is het beste antwoord in de volgende woorden van de Heilige Koran:

“Voorwaar, op die dag werd de wortel van de ongelovigen afgesneden.” ( De Heilige Koran, 8:8)

Met andere woorden, de slag van de slag van Badr trof de wortel van de ongelovigen en werd in stukken gebroken. Als juist deze klap de takken had geraakt in plaats van de wortel, ongeacht hoe groot het verlies zou zijn geweest, zou dit verlies niets zijn vergeleken met het daadwerkelijk geleden verlies. Deze klap op de wortel veranderde deze weelderige groene boom echter in enkele ogenblikken in een stapel kolen. Alleen de takken overleefden die zich aan de andere boom hechtten, voordat ze verdroogden. Daarom werd in het veld van Badr het verlies van de Quraish niet gemeten aan de hand van het aantal mannen dat stierf, maar eerder aan de mensen die stierven. Wanneer we vanuit dit perspectief een blik werpen op de slachtoffers van de Quraish, blijft er geen ruimte voor zelfs maar de geringste twijfel of onzekerheid dat bij Badr de wortel van de Quraish werkelijk werd afgesneden. ‘ Utbah , Shaibah , Umayyah bin Khalaf, Abu Jahl , ‘ Uqbah bin Abi Mu’ it en Nadr bin Harith, etc., waren de drijvende geest van de Quraish. Deze geest vloog voor altijd weg van de Quraish in de vallei van Badr, en ze werden achtergelaten als een levenloos lichaam. Het is om deze reden dat de slag bij Badr de naam Yaum -e-Furqan heeft gekregen .’ (The Life & Character of the Seal of Prophets (sa) , Vol. 2 pp. 165-166)

Rang van de metgezellen die deelnamen aan de slag bij Badr

Zijne Heiligheid (aba) zei dat de engel Gabriël naar de Heilige Profeet (vzmh) ging en hem vroeg welke rang hij gaf aan de moslims die deelnamen aan de Slag bij Badr, de Heilige Profeet (vzmh) zei dat zij de beste van de moslims waren. De engel Gabriël zei dat hetzelfde het geval was voor de engelen die deelnamen aan de strijd.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat de Heilige Profeet (vzmh) na de Slag bij Badr Hazrat Ali (ra) met enkele anderen achter een vrouw stuurde die een brief bij zich had. Toen ze haar onderschepten, vroegen ze om de brief die ze bij zich had, die ze teruggaven aan de Heilige Profeet (vzmh). Ze ontdekten dat Hatib de Quraish informeerde over bepaalde plannen van de Heilige Profeet (vzmh). Toen de Heilige Profeet (vzmh) Hatib hierover vroeg, antwoordde deze dat hij dit alleen had gedaan om in de gunst te komen bij de Quraish, anders was zijn geloof nog steeds standvastig in de islam. Hazrat Umar (ra) wilde hem doden. De Heilige Profeet (vzmh) antwoordde dat Hatib had deelgenomen aan de Slag bij Badr, en God beloofde dat Hij de zonden zou vergeven van degenen die deelnamen aan de Slag bij Badr en dat geen van hen zou sterven in een staat van ongeloof.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat de Heilige Profeet (vzmh) zei dat hij erop vertrouwde dat niemand van degenen die deelnamen aan Badr en Hudaibiyah het hellevuur zou betreden.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat wanneer een toelage werd vastgesteld voor metgezellen in de tijd van Hazrat Umar (ra) , een hoger bedrag werd vastgesteld voor degenen die deelnamen aan de Slag bij Badr.

Gods Almachtige steun voor zijn uitverkorenen tegen hun onderdrukkers

Zijne Heiligheid (aba) citeerde de Beloofde Messias (as) die zei dat net zoals de Israëlieten werden vervolgd, zo ook de moslims werden vervolgd in Mekka. Uiteindelijk, net zoals de Israëlieten Egypte ontvluchtten, verlieten ook de moslims Mekka. En net zoals de farao de Israëlieten achtervolgde en daardoor aan zijn einde kwam, zo jaagden ook de Mekkanen de moslims achterna, maar kwamen uiteindelijk aan hun einde. Bij het vinden van het lichaam van Abu Jahl op het slagveld na Badr, zei de Heilige Profeet (vzmh) dus dat dit de farao van de Mekkanen was .

Zijne Heiligheid (aba) citeerde de Beloofde Messias (as) die zei dat het vers:

“En Allah had u al geholpen bij Badr toen u zwak was.” (De Heilige Koran, 3:124)

Bevat ook een profetie dat net als in de tijd van Badr, wanneer dezelfde omstandigheden zich beginnen voor te doen in de 14e eeuw, Gods hulp zich zou manifesteren. Zo werd de Beloofde Messias (as) aangesteld.

Leidraad voor werknemers voor de komende Jalsa Salana (jaarlijkse conventie) VK

Zijne Heiligheid (aba) zei dat aanstaande vrijdag de Jalsa Salana UK zal aanvangen.€ Na een onderbreking van drie of vier jaar zullen internationale gasten in groten getale de Jalsa bezoeken. In feite zijn deze gasten al begonnen aan te komen in het VK.

Zijne Heiligheid (aba) bad dat al degenen die reizen een veilige reis mogen hebben en veilig zullen aankomen. Zijne Heiligheid (aba) bad dat alle aanwezigen de zegeningen van Jalsa mogen oogsten , zelfs degenen die in het VK wonen. Ieders enige doel van het bijwonen van de Jalsa zou moeten zijn om spirituele voeding te verkrijgen.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat alle vrijwilligers de aanwezigen zouden moeten bedienen met het idee dat zij de gasten zijn van de Beloofde Messias (as) . Zijne Heiligheid (aba) zei dat dit jaar een groter aantal aanwezigen wordt verwacht. Als zodanig zou het mogelijk kunnen zijn dat bepaalde tekortkomingen ontstaan vanuit organisatorisch perspectief. Hoewel Zijne Heiligheid (aba) zei dat de arbeiders van Jalsa nu zo ervaren zijn dat ze alle problemen al hebben aangepakt, en als er zich nog steeds problemen voordoen, vertrouwt hij erop dat ze in staat zullen zijn om het op de beste manier aan te pakken. Zijne Heiligheid (aba) bad dat er in de eerste plaats geen problemen zouden ontstaan die de gasten moeilijkheden zouden bezorgen.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat de islam indruk maakt op het belang van gastvrijheid. Dan moeten vooral degenen die alleen reizen vanwege de roep van de Beloofde Messias (as) en dus zijn gasten zijn, door de arbeiders met groot respect behandeld worden. De vrijwilligers zouden hen moeten dienen, alleen zoekend naar het genoegen van Allah de Almachtige.

Deugd van altijd lachen

Zijne Heiligheid (aba) zei dat de Heilige Profeet (vzmh) instrueerde dat iemand die in God en Zijn Boodschapper (vzmh) gelooft hun gasten moet eren. Tijdens de dagen van Jalsa komen mensen van over de hele wereld en met verschillende temperamenten naar de bijeenkomst. Soms wordt het moeilijk om te onderscheiden hoe voor hen te zorgen op basis van hun temperament . Soms zeggen bepaalde gasten iets wat de werknemers niet leuk vinden. We hebben echter van God de opdracht gekregen om gasten te eren, ongeacht de omstandigheden. In feite is dit een van de manieren waarop iemands geloof op de proef wordt gesteld. Daarom moeten alle dienstdoeners dit in gedachten houden, de beste moraal aan de dag leggen en altijd blijven glimlachen.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat de normen van goede zeden die van ons worden verwacht, zijn uitgelegd door de Heilige Profeet (vzmh) , die zei dat glimlachen een liefdadigheid is. Het goede bevelen en het kwade verbieden is liefdadigheid. Iemand begeleiden die verdwaald of blind is, is naastenliefde. Hindernissen van het pad verwijderen is liefdadigheid. Iets van jezelf aan je broer geven is liefdadigheid. Dit zijn de normen waaraan elke Ahmadi moet voldoen.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat glimlachen een zeer belangrijke eigenschap is, vooral voor de arbeiders van Jalsa . Natuurlijk zullen de vrijwilligers vermoeid zijn en slaapgebrek hebben, maar ongeacht de omstandigheden moeten ze altijd blijven glimlachen.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat de afdeling tarbiyyat (morele training) en alle andere afdelingen in het algemeen ervoor moeten zorgen dat als ze iets zien dat in strijd is met onze leringen en tradities, ze dit met zorg en vriendelijkheid aan die personen moeten uitleggen.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat er teams zijn die zich inzetten om de paden vrij en schoon te houden. Evenzo worden borden en op verschillende plaatsen op het terrein opgehangen met verschillende richtlijnen en aanwijzingen. Desondanks, als iemand een vrijwilliger vraagt waar hij heen moet, moet hij of zij hem helpen. In feite dienen niet alleen dienstdoende personen hulp te bieden, maar iedereen die aanwezig is, en als ze niet op de hoogte zijn, kunnen ze hen doorverwijzen naar de relevante afdeling.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat iedereen weet dat als er een persoon is die gehandicapt of blind is, deze moet worden geholpen. Dit is algemeen bekend en er hoeft niet veel over te worden uitgediept.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat als vrijwilligers, inderdaad elke persoon die de Jalsa bijwoont , zwerfvuil op het terrein ziet, ze het moeten oprapen en weggooien. De administratie moet ervoor zorgen dat er overal op het terrein prullenbakken beschikbaar zijn, en ze moet er ook voor zorgen dat niets dat er niet in mag worden gegooid, er niet hoort te zijn.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat degenen die eten serveren ook goed voor de gasten moeten zorgen. Als er ooit een tekort aan voedsel is, moeten ze de gasten vriendelijk uitleggen dat ze moeten delen, zodat iedereen kan eten. Over het algemeen is de kans dat dit gebeurt erg klein. Als zoiets toch gebeurt, moeten de werknemers er op de juiste manier mee omgaan.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat er ook de afdeling verkeerscontrole is, waar zich problemen kunnen voordoen, vooral als het weer verslechtert. Hier zei Zijne Heiligheid (aba) dat de gasten ook met de arbeiders moesten meewerken en dat de arbeiders altijd een goede moraal moeten tonen.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat er veel andere afdelingen zijn in Jalsa , en dat iedereen de leiding van de Heilige Profeet (vzmh) moet volgen om te blijven glimlachen.

Zijne Heiligheid (aba) bad dat alle arbeiders van Jalsa hun taken op de beste manier mogen uitvoeren en dat de Jalsa in alle opzichten gezegend mag worden. Elke Ahmadi moet blijven bidden voor het succes van deze Jalsa. Moge Allah het iedereen mogelijk maken dit te doen.

OPMERKING: Ishaat team van Majlis Khuddam-ul-Ahmadiyya NL neemt de volledige verantwoordelijkheid voor eventuele fouten of miscommunicatie in deze samenvatting van de vrijdagpreek.

‘Leven van de Heilige Profeet (sa) – Noodlot van de leiders van Mekka & behandeling van de krijgsgevangenen’ | Vrijdagpreek Hazrat Khalifa-tul-Masih V(aba) | 14 juli 2023

Feature image
Feature image

Klik hier om de video te bekijken

Na het reciteren van Tashahhud, Ta’awwuz en Surah al-Fatihah, zei Zijne Heiligheid, Hazrat Mirza Masroor Ahmad(aba) dat hij het leven van de Heilige Profeet(sa) had genoemd in het licht van de Slag bij Badr.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat 70 Mekkanen werden gedood in de Slag bij Badr, waaronder veel leiders. Het is opgetekend dat op een keer, toen de Heilige Profeet (sa) gebeden aan het opzeggen was bij de Ka’bah en zich aan het neerbuigen was, sommige Mekkanen op een ondeugende manier de viezigheid van dieren op zijn rug legden, wat zo zwaar was dat hij niet kon opstaan. Toen Hazrat Fatimah(ra) hiervan hoorde, haastte zij zich naar de Heilige Profeet(sa) om hem te helpen. Toen de Heilige Profeet(sa) eindelijk in staat was om op te staan, bad de Heilige Profeet(sa) tot Allah om deze mensen ter verantwoording te roepen. Hij noemde toen de namen van enkele van de zeer vooraanstaande Mekkanen, en diezelfde mensen werden later gedood in de Slag bij Badr.

Instructies van de Heilige Profeet (sa) met betrekking tot de leiders van Mekka

Zijne Heiligheid(aba) zei dat zelfs voordat de strijd begon, de Heilige Profeet(sa) zijn Metgezellen liet zien waar de Mekkanen gedood zouden worden. Hij noemde de naam van een hoofdman en wees dan aan waar hij gedood zou worden. De volgende dag, tijdens de Slag bij Badr, werden diezelfde mensen gedood precies waar de Heilige Profeet(sa) het aangaf.

Zijne Heiligheid(aba) zei dat de Heilige Profeet(sa) na de Slag bij Badr opdracht gaf om de lichamen van de Mekkanen in een greppel te leggen. Het was de gewoonte van de Heilige Profeet(sa) dat hij na een overwinning in de strijd drie dagen op de plaats van de overwinning bleef. Voordat hij vertrok, ging de Heilige Profeet(sa) naar de plaats waar de Mekkanen begraven waren en de namen noemend van degenen die begraven waren met verwijzing naar hun vaders, vroeg de Heilige Profeet(sa) hen of ze nu wensten dat ze hadden geloofd, of dat ze hadden gevonden wat hun goden hen hadden beloofd. Iemand vroeg waarom de Heilige Profeet(sa) tot hen sprak als ze hem niet eens konden horen. De Heilige Profeet(sa) zei tegen hem dat zij hem beter konden horen dan hijzelf.

Zijne Heiligheid(aba) citeerde Hazrat Mirza Bashir Ahmad(ra), die schrijft:

‘Voordat hij terugkeerde, ging de Heilige Profeet(sa) naar de kuil waar de leiders van de Qoeraisj begraven waren, en de namen van elk van hen roepend, riep hij uit:

“Heeft God de belofte, die Hij via mij aan jullie heeft gedaan, waargemaakt? Voorwaar, God heeft Zijn belofte aan mij waargemaakt.”

Toen voegde hij eraan toe:

“O gij mensen van de afgrond! Gij waart de ellendigste verwanten van uw Profeet. Jullie verwierpen mij, terwijl anderen van mijn waarachtigheid getuigden. Jullie hebben mij verbannen uit mijn vaderland, terwijl anderen mij bescherming gaven. Jullie voerden oorlog tegen mij, terwijl anderen mij steunden.”

Hazrat ‘Umar(ra) antwoordde: “O Boodschapper van Allah! Zij zijn dood, hoe kunnen zij jou nu horen.” De Heilige Profeet(sa) zei: “Zij horen mij beter dan jij mij nu hoort.” Met andere woorden, zij hebben een staat bereikt waarin alle waarheid openbaar wordt en er geen sluier overblijft. Deze woorden van de Heilige Profeet (sa), die hierboven zijn beschreven, bevatten gemengde gevoelens van pijn en kwelling. Men kan enigszins de hartstoestand beoordelen die de Heilige Profeet (sa) op dat moment had overvallen. Het lijkt alsof de geschiedenis van de oppositie van de Qoeraisj op dat moment voor de ogen van de Heilige Profeet (sa) lag, en in een wereld van herinneringen sloeg hij telkens een bladzijde om, en zijn hart werd onrustig bij het bestuderen van deze bladzijden. Deze woorden van de Heilige Profeet (sa) zijn ook een categorisch bewijs dat de verantwoordelijkheid van het initiëren van deze reeks oorlogen volledig bij de ongelovigen van Mekka lag. Zoals blijkt uit deze woorden van de Heilige Profeet (sa):

“O mijn volk! Jullie voerden oorlog tegen mij, terwijl anderen mij steunden.”Op zijn minst tonen deze woorden duidelijk aan dat de Heilige Profeet (sa) naar zijn eigen mening geloofde dat deze oorlogen werden geïnitieerd door de ongelovigen, en hij werd gedwongen om het zwaard op te nemen alleen ter verdediging van zichzelf. (The Life & Character of the Seal of Prophets (sa), Vol. 2 pp. 155-156)

Diverse wonderen tijdens de slag bij Badr

Zijne Heiligheid(aba) zei dat er verschillende wonderen plaatsvonden tijdens de Slag van Badr. Bijvoorbeeld, tijdens de Slag van Badr brak het zwaard van Ukashah bin Mihsan(ra). Hij ging naar de Heilige Profeet(sa), die hem een stuk hout overhandigde, en de Heilige Profeet(sa) zei hem dat hij het moest gebruiken om tegen de ongelovigen te vechten. Toen Ukashah(ra) het in zijn hand ophief, werd het een zwaard.

Zijne Heiligheid(aba) zei dat een ander wonder tijdens de Slag van Badr Hazrat Qatadah(ra) in het oog werd geraakt in de mate dat het eruit hing. Hij was van plan het weg te gooien, maar de Heilige Profeet(sa) droeg hem op dit niet te doen. De Heilige Profeet(sa) legde zijn oog in de palm van zijn hand en stopte het daarna weer terug op zijn plaats. Later kon Hazrat Qatadah(ra) niet eens zien dat er iets met dit oog gebeurd was.

Zijne Heiligheid(aba) zei dat toen de Mekkanen aan het verliezen waren, ze verstrooid raakten terwijl ze terug naar Mekka renden. Toen de eerste Mekkaan terug in Mekka aankwam en hem gevraagd werd hoe de strijd verlopen was, begon hij de namen op te noemen van de vooraanstaande Mekkanen die gedood waren. De mensen dachten dat hij gek geworden was, maar hij verzekerde hen dat dat niet zo was en dat hij deze dingen voor zijn ogen had zien gebeuren. De Mekkanen waren zeer geschokt, in die mate zelfs dat ze verboden om te jammeren over de overledenen, omdat dit anders voldoening zou geven aan de moslims.

Valse geruchten in Medina de kop in gedrukt

Zijne Heiligheid(aba) zei dat toen Hazrat Zaid(ra) terugkeerde naar Medina, hij de mensen op de hoogte bracht van alle Mekkaanse leiders en vooraanstaande mensen die waren gedood in de strijd. De hypocrieten en de Joodse mensen hadden het valse gerucht verspreid dat de Moslims een nederlaag hadden geleden en dat, God verhoede, de Heilige Profeet(sa) ook was overleden. Hazrat Zaid(ra) reed Medina binnen op de kameel van de Heilige Profeet(sa), en dus gebruikten ze dit om ook te zeggen dat de Heilige Profeet(sa) overleden was, wat de reden was waarom Hazrat Zaid(ra) op zijn kameel zat. Echter, Hazrat Zaid(ra) verzekerde hen dat dit niet het geval was. Toen ze hoorden dat de Heilige Profeet(sa) zelf terugkeerde, haastten de moslims zich naar Rawhah om de Heilige Profeet(sa) te begroeten en te verwelkomen.

Verdeling van de oorlogsbuit en behandeling van krijgsgevangenen

Zijne Heiligheid(aba) zei dat de moslims 150 kamelen en tien paarden aan buit ontvingen, samen met andere dingen. De Heilige Profeet (sa) zorgde ervoor dat zijn aandeel gelijk was aan dat van de Metgezellen. Er was een zwaard dat de Metgezellen bewaarden voor de Heilige Profeet(sa), en een van de kamelen van Abu Jahl werd ook apart gehouden voor de Heilige Profeet(sa). Sommige overleveringen zeggen dat het zwaard ook toebehoorde aan Abu Jahl, en het werd Zulfiqar genoemd. Het is vastgelegd dat de Heilige Profeet (sa) ditzelfde zwaard gebruikte in latere veldslagen. Het is ook vastgelegd dat de Heilige Profeet(sa) diezelfde kameel meenam ten tijde van het Verdrag van Hudaibiyah als offerdier.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat de Heilige Profeet (sa) ook oorlogsbuit gaf aan de families van degenen die in de strijd waren gesneuveld. Hij gaf ook een deel aan degenen die hij in zijn plaats over Medina had aangesteld, en ook aan sommige andere Metgezellen.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat er verschillende overleveringen zijn over het nemen van een vergoeding van de krijgsgevangenen. Echter, veel van de verhalen zijn verward geraakt, waardoor er twijfel is ontstaan. Wat echter duidelijk is, is dat de Heilige Profeet (sa) opdracht gaf om een boetedoening te nemen om de gevangenen te bevrijden volgens goddelijk bevel. Zijne Heiligheid(aba) zei dat de Heilige Profeet(sa) overleg pleegde met Hazrat Abu Bakr(ra) en Hazrat Umar(ra) over de gevangenen. Hazrat Abu Bakr(ra) stelde voor dat de gevangenen vrijgelaten moesten worden nadat zij een boetedoening hadden betaald, omdat het zou kunnen dat zij spoedig de Islam zouden accepteren. Hazrat Umar(ra) had een andere mening en zei dat ze aan hem overgeleverd moesten worden zodat hij hun leven kon nemen. De Heilige Profeet(sa) gaf voorrang aan de mening van Hazrat Abu Bakr(ra). De volgende dag vond Hazrat Umar(ra) de Heilige Profeet(sa) en Hazrat Abu Bakr(ra) huilend. Hij vroeg wat er aan de hand was. De Heilige Profeet(sa) zei dat hij de openbaring had ontvangen:

“Een profeet kan geen gevangenen maken voordat hij tot geregeld vechten in het land komt” (De Heilige Koran, 8:68)

En vervolgens:

“Eet van de buit die gij ontvangt als wettig en goed en vreest Allah.” (De Heilige Koran, 8:70).

Zijne Heiligheid(aba) zei dat de manier waarop dit is verteld verwarring schept. Door eerst te verklaren dat de Heilige Profeet(sa) huilde en vervolgens deze verzen te noemen, maakt de zaak niet duidelijk. Het zou bijna lijken alsof God ontevreden was met de beslissing van het nemen van boetedoening door de Heilige Profeet(sa) en de voorkeur gaf aan de mening van Hazrat Umar(ra). Dit slaat echter nergens op. Het lijkt erop dat historici dit verkeerd hebben begrepen. Er is echter een ongepubliceerde notitie van de Tweede Kalief(ra) die de zaak volledig opheldert.

Zijne Heiligheid(aba) citeerde de Tweede Kalief(ra), die verklaarde dat vóór de Islam, heersers gevangenen namen zelfs als er geen strijd was geweest. Dit vers dat werd geopenbaard maakte een einde aan die praktijk. Echter, datzelfde vers wordt ten onrechte verkeerd geïnterpreteerd als het uitdrukken van een voorkeur voor de mening van Hazrat Umar(ra) terwijl het ongenoegen uitdrukt over de mening van de Heilige Profeet(sa). Historici hebben dit simpelweg gedaan om de rang van Hazrat Umar(ra) te verheerlijken. Echter, de Tweede Kalief(ra) zei dat zulke gedachten verkeerd zijn. Hij zei dat Allah geen gebod had geopenbaard om te zeggen dat er geen boetedoening mocht worden genomen; vandaar dat er geen beschuldiging tegen de Heilige Profeet(sa) kan zijn in dit opzicht. Bovendien had de Heilige Profeet (sa) vóór dit incident boetedoening genomen van twee gevangenen in Nakhlah, en God heeft bij die gelegenheid geen ongenoegen geuit. Dan, twee verzen later, maakt God het rechtmatig om de oorlogsbuit te nemen. Hoe is het mogelijk dat God rijkdommen als buit geoorloofd heeft verklaard, maar vervolgens het nemen van boetedoening ongeoorloofd acht? Het is dus duidelijk dat dit vers niets te maken had met de mening van Hazrat Umar(ra), maar dat het simpelweg het principe vastlegt dat gevangenen alleen na een gevecht genomen mogen worden.

Zijne Heiligheid(aba) citeerde Hazrat Mirza Bashir Ahmad(ra), die schrijft:

‘Toen de Heilige Profeet (sa) terugkeerde naar Medina, vroeg hij advies over wat er met de gevangenen moest gebeuren. Over het algemeen was het een gewoonte in Arabië om gevangenen te executeren of hen tot permanente slaven te maken. De gezindheid van de Heilige Profeet (sa) was echter wars van zulke harde maatregelen. Bovendien waren er ook geen goddelijke bevelen in dit opzicht geopenbaard. Hazrat Abu Bakr(ra) verklaarde: “Naar mijn mening zouden ze vrijgelaten moeten worden op losgeld, omdat ze tenslotte onze broeders en verwanten zijn. Wie weet, als er morgen toegewijden van de Islam uit deze mensen geboren worden.” Hazrat ‘Umar(ra) was echter tegen deze opvatting en zei:

“Er zou geen overweging van verwantschap moeten zijn in een kwestie van religie. Deze mensen verdienen de executie vanwege hun daden. Mijn mening is dat ze allemaal geëxecuteerd moeten worden. In feite zouden de moslims hun respectievelijke familieleden eigenhandig moeten executeren.”

Beïnvloed door zijn aangeboren natuur van barmhartigheid, keurde de Heilige Profeet (sa) het voorstel van Hazrat Abu Bakr(ra) goed. Hij vaardigde dus een bevel uit tegen executie en beval dat zulke afgodendienaars die hun losgeld betaalden, zouden worden vrijgelaten. Daarom werd vervolgens ook een goddelijk bevel met dit doel geopenbaard. Als zodanig werd een losgeld van 1.000 dirham tot 4.003 dirham vastgesteld voor elk individu volgens zijn middelen (The Life & Character of the Seal of Prophets (sa), Vol. 2 pp. 160-161)

Zijne Heiligheid (aba) zei dat hij deze voorvallen in de toekomst zou blijven vertellen.

Begrafenis Gebeden

Zijne Heiligheid(aba) zei dat hij de begrafenisgebeden zou leiden van de volgende overleden leden:

Abdul Hameed Khan

Abdul Hameed Khan was missionaris en Naib Nazim Maal in Pakistan. Hij diende als missionaris op verschillende plaatsen in Pakistan en ook in Oeganda. Hij diende de gemeenschap 40 jaar lang. Hij had een dochter en een zoon. Zijn zoon is de voorzitter van de Ahmadiyya Moslim Jeugd Vereniging in Denemarken. In Oeganda diende hij met grote passie en oprechtheid. Hij werd geconfronteerd met grote moeilijkheden tijdens de burgeroorlog in Oeganda, maar God behoedde hem onder alle omstandigheden. Hij had een grote liefde voor het Kalifaat. Hij was altijd bereid om alles uit te voeren wat de kalief zei. Hij was altijd behulpzaam voor anderen en probeerde altijd anderen te helpen beter te worden. Hij gaf altijd voorrang aan zijn levenstoewijding boven elk werelds comfort. Hij was erg aardig, gastvrij en had volledig vertrouwen in God. Hij was heel eenvoudig en zei altijd dat hij zijn hele leven had toegewijd en tot het einde van zijn leven in dienst wilde blijven. Allah stelde hem in staat om precies dat te doen. Hij spoorde altijd aan om oprecht en loyaal te blijven aan het Kalifaat en nooit zijn toevlucht te nemen tot leugens. Zijne Heiligheid (aba) bad dat Allah hem vergiffenis en barmhartigheid moge schenken, zijn positie mocht verhogen en zijn nageslacht in staat mocht stellen de erfenis van zijn deugden voort te zetten.

Nusrat Jahan Ahmad

Nusrat Jahan Ahmad is de vrouw van Mubashar Ahmad, een missionaris in de VS. Ze bleef naast haar man staan en steunde hem vooral toen hij zijn leven wijdde en begon te dienen als missionaris. Ze gaf regelmatig aalmoezen, had een diepe liefde voor het Kalifaat en diende de gemeenschap in verschillende hoedanigheden. Ze nam zeer gepassioneerd deel aan programma’s voor de verspreiding van de Islam, Ahmadiyyat. Ze wordt overleefd door twee zonen en twee dochters. Zijne Heiligheid (aba) bad dat Allah haar vergiffenis en barmhartigheid moge schenken en haar kinderen erfgenamen maken van haar gebeden.

OPMERKING: Ishaat team van Majlis Khuddam-ul-Ahmadiyya NL neemt de volledige verantwoordelijkheid voor eventuele fouten of miscommunicatie in deze samenvatting van de vrijdagpreek.

‘Het leven van de Heilige Profeet (vzmh) – Ontwikkelingen tijdens de Slag bij Badr’ | Vrijdagpreek Hazrat Khalifa-tul-Masih V(aba) | 7 juli 2023

Feature image
Feature image

Klik hier om de video te bekijken

Na het reciteren van Tashahhud, Ta’awwuz en Surah al- Fatihah, zei Zijne Heiligheid, Hazrat Mirza Masroor Ahmad (aba) dat hij in de vorige preek het ontzag had genoemd dat de moslims hadden voor de ongelovigen van Mekka, inclusief het geschil tussen Abu Jahl en Utbah.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat Utbah bin Rabi’ah naar voren stapte op zoek naar een tweegevecht. Sommige jongeren van de Ansar reageerden, maar Utbah vroeg wie ze waren. Toen ze hem op de hoogte brachten, zei Utbah dat hij niets met hen te maken had en dat hun enige bedoeling was om tegen hun familieleden te vechten die van de Quriash waren. Hij riep naar de Heilige Profeet (vzmh) en zei dat hij mensen naar voren moest sturen die met hen konden wedijveren en die uit hun familie kwamen. Vandaar dat de Heilige Profeet (vzmh) Hazrat Hamzah (ra), Hazrat Ali (ra) en Hazrat Ubaidah bin Harith (ra) riep. Hazrat Hamzah (ra) vocht tegen Utbah, Hazrat Ali (ra) vocht tegen Shaibah en Hazrat Ubaidah (ra) vocht tegen Walid. Hazrat Hamzah (ra) en Hazrat Ali (ra) wonnen beiden, terwijl Hazrat Ubaidah (ra) gewond raakte en Hazrat Hamzah (ra) en Hazrat Ali (ra) hem hielpen..

Zijne Heiligheid (aba) zei dat in de loop van deze strijd, Hazrat Ubaidah (ra) zijn voet verloor. Toen hij naar de Heilige Profeet (vzmh) werd gebracht, vroeg hij of hij als een martelaar zou worden beschouwd, waarop de Heilige Profeet (vzmh) antwoordde dat hij dat inderdaad zou doen. Het was op de terugweg van Badr dat Hazrat Ubaidah (ra) bezweek aan zijn verwondingen en een martelaar werd. Het is overgeleverd dat toen hij zijn voet verloor en naar de Heilige Profeet (vzmh) werd gebracht, hij dicht bij de Heilige Profeet (vzmh) werd neergelegd en de Heilige Profeet (vzmh) zijn gezegende voet onder die van Ubaidah (ra) plaatste.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat toen de twee partijen op het punt stonden te strijden, Abu Jahl bad dat degenen van hen die hun verwantschapsbanden verbraken en dingen zeiden die niemand eerder had gehoord, zouden omkomen. De Beloofde Messias (as) legde uit dat Abu Jahl misschien dacht dat de Heilige Profeet (vzmh) een onzuiver leven leidde (God verhoede) waardoor hij dit gebed deed. Het zou echter niet meer dan een uur na het doen van dit gebed zijn geweest dat Abu Jahl zelf zijn leven verloor in de strijd.

De Rang van het Paradijs Beloond aan de Martelaren van Badr

Zijne Heiligheid (aba) zei dat er is opgetekend dat hoewel de moslims in de minderheid waren en veel minder uitgerust, ze iets hadden waarmee geen enkele andere kracht ter wereld kan concurreren, en dat is een levend geloof. Dit gaf hen buitengewone kracht. Ze toonden dienst aan het geloof, zoals nog nooit is gezien.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat de eerste martelaar in de Islam Hazrat Mahjah (ra) was, een bevrijde slaaf van Hazrat Umar (ra) nadat hij het doelwit was geworden van een pijl die in zijn nek bleef steken.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat een jonge man, Harithah bin Suraqah bin Harith (ra) de marteldood stierf in de Slag bij Badr. Zijn moeder ging naar de Heilige Profeet (vzmh) en vroeg of hij wist wat Harithah voor haar betekende. Ze zei dat als hij in de hemel was, ze geduldig zou kunnen blijven. Als er echter iets was dat hiermee in tegenspraak was, dan zou hij moeten wachten om te zien wat ze zal doen. De Heilige Profeet (vzmh) vroeg: “Is er maar één paradijs? Uw zoon is in Jannat al-Firdaus (het hoogste niveau in het paradijs).”

Zijne Heiligheid (aba) zei dat de metgezellen met grote moed vochten. De Heilige Profeet (vzmh) vertelde zijn metgezellen dat wie met geduld vocht en niet de rug toekeerde, het paradijs zou binnengaan. Hazrat Humam (ra) drukte zijn verbazing uit en vroeg zich af: “Wordt de enige barrière tussen mij en het paradijs door deze mensen gedood?” Hierna nam hij zijn zwaard op en vocht dapper tot hij de marteldood stierf.

De val van Aboe Jahl

Zijne Heiligheid (aba) zei dat Hazrat Abdur Rahman bin Auf (ra) vertelt dat hij tijdens de Slag bij Badr naar links en rechts keek en twee jonge jongens naast hem zag staan. Hij vroeg zich af hoe deze twee hem zouden kunnen beschermen. Een van de jongens fluisterde tegen hem en vroeg hem om Abu Jahl aan te wijzen, zodat hij hem kon doden of zelf gedood kon worden bij zijn poging. Toen fluisterde de andere jongen aan de andere kant tegen hem en vroeg hetzelfde. Hij wees hen beiden op Abu Jahl . Ze renden als een bliksem in de richting van Abu Jahl om hem te doden. Deze twee waren Mu’adh en Mu’awwidh. Een van hen verloor daarbij zijn arm.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat de Heilige Profeet (vzmh) na het gevecht naar Abu Jahl zocht maar hem niet kon vinden. De Heilige Profeet (vzmh) bad voor hem dat hij niet zou ontsnappen. De Heilige Profeet (vzmh) gaf toen opdracht om Abu Jahl te lokaliseren. Hazrat Abdullah bin Mas’ud (ra) vond uiteindelijk Abu Jahl die nauwelijks in leven was. Abu Jahl vroeg of ze iemand hadden vermoord die meer gewaardeerd werd dan hij. Hij vroeg toen wie de strijd had gewonnen. Abu Jahl was Hazrat Abdullah bin Mas’ud (ra) nog steeds aan het treiteren; hij doodde hem echter en bracht vervolgens zijn lichaam naar de Heilige Profeet (vzmh) waarop de Heilige Profeet (vzmh) Allah verheerlijkte. Volgens een andere overlevering ging de Heilige Profeet (vzmh) naar de plaats waar Abu Jahl werd vermoord. Het is opgetekend dat de Heilige Profeet (vzmh) zei dat elke natie een farao heeft en dat de farao van zijn natie Abu Jahl was.

Zijne Heiligheid (aba) citeerde de Tweede Kalief (ra) die zei dat zelfs de laatste wens van Abu Jahl niet vervuld was. In die tijd was het gebruikelijk dat als een leider van Mekka werd gedood, zijn hoofd van het onderste deel van de nek werd gescheiden, zodat hij herkend kon worden. Echter, toen Abu Jahl deze wens uitsprak, vervulde Abdullah bin Mas’ud (ra) deze niet.

Zijne Heiligheid (aba) citeerde Hazrat Mirza Bashir Ahmad (ra) die schrijft:

‘Vandaar, zij het Muhajirin of Ansar, beiden hebben moedig en oprecht gevochten. De vijandelijke aantallen en hun kracht in uitrusting bleken echter een bijna onverwoestbare kracht te zijn, en de uitkomst van de oorlog bleef enige tijd dubbelzinnig. De Heilige Profeet (vzmh) was voortdurend bezig met vurige smeekbeden, en zijn pijn nam van moment tot moment toe. Echter, uiteindelijk, na vrij lange tijd, stond de Heilige Profeet (vzmh) op uit zijn knieling en stapte de tent uit terwijl hij de volgende goddelijke blijde tijding reciteerde :

“Het leger van de Quraish zou zeker op de vlucht geslagen worden en tijdens de vlucht hun rug laten zien.” ‘ (The Life & Character of the Seal of Prophets (sa), Deel 2, p. 153)

Zijne Heiligheid (aba) citeerde verder Hazrat Mirza Bashir Ahmad (ra) die schrijft:

De Heilige Profeet (vzmh) stapte uit zijn tent en wierp een blik in alle vier de richtingen om het slagveld te vinden dat werd verhit door bloedvergieten. Op dat moment nam de Heilige Profeet (vzmh) een handvol zand en kiezelstenen en gooide ze naar de ongelovigen, en riep vurig uit: “Moge hun gezichten worden geruïneerd.” Toen riep de Heilige Profeet (vzmh) de metgezellen om een plotselinge aanval uit te voeren. Toen de stem van hun geliefde Meester hun oren bereikte, slaakten ze een strijdkreet van Gods Grootheid en drongen met een onmiddellijke aanval naar voren. Aan de andere kant had de Heilige Profeet (vzmh) nog maar net een handvol zand gegooid toen een windvlaag de ogen, monden en neuzen van de ongelovigen begon te vullen met kiezelstenen. De Heilige Profeet (vzmh) zei: “Dit is een leger van Gods engelen die zijn gekomen om ons te ondersteunen met goddelijke hulp.” In sommige overleveringen wordt ook verteld dat sommige mensen destijds zelfs deze engelen zagen. In ieder geval waren stamhoofden als ‘Utbah, Shaibah en Abu Jahl al met stof vermengd. Als gevolg van deze onmiddellijke aanval door de moslims en de plotselinge windvlaag begonnen de Quraish aan kracht te verliezen en brak er snel paniek uit in het leger van de Quraish. Het slagveld was in een mum van tijd geruimd.’ (The Life & Character of the Seal of Prophets (sa), deel 2, pp. 153-154)

Goddelijke steun ten gunste van de moslims

Het was bij deze gelegenheid dat de Heilige Profeet (vzmh) de kiezels wierp die God openbaarde,

En jij wierp niet toen je wierp, maar het was Allah Die wierp. ‘ (De Heilige Koran, 8:18)

Zijne Heiligheid (aba) zei dat God in de Heilige Koran stelt:

“Toen gij de hulp van uw Heer smeekte en Hij u antwoordde: “Ik zal u met duizend engelen helpen die elkander opvolgen.”” (De Heilige Koran, 8:10)

Zijne Heiligheid (aba) zei dat de Heilige Profeet (vzmh) getuigde dat de engelen neerdaalden tijdens het gevecht. Op de dag van Badr wees de Heilige Profeet (vzmh) op de engel Gabriël op een paard. Er is overgeleverd dat de engel Gabriël naar de Heilige Profeet (vzmh) ging en vroeg welke rang hij zou geven aan de moslims die deelnamen aan de Slag bij Badr. De Heilige Profeet (vzmh) zei dat zij de beste moslims zouden zijn. Gabriël antwoordde dat de engelen die deelnamen aan de Slag bij Badr ook superieur zouden zijn. Zelfs de ongelovige Mekkanen verklaarden dat ze witte wezens zagen paardrijden en vechten in de strijd. Andere metgezellen hebben overgeleverd dat op de dag van Badr het onderscheid van de engelen was dat ze witte tulbanden droegen. Zijne Heiligheid (aba) legde uit dat waar sommigen denken dat dit slechts een blijde tijding van hulp was en niet van engelen die daadwerkelijk neerdaalden, authentieke overleveringen duidelijk laten zien dat engelen inderdaad neerdaalden tijdens de strijd in de vorm van een visioen dat zelfs door de ongelovigen werd waargenomen.

Zijne Heiligheid (aba) citeerde de Beloofde Messias (as) die uitlegde dat in Gods oneindige wijsheid, hij de vijand in een droom minder liet verschijnen voor de Heilige Profeet (vzmh), zodat de moslims niet vanaf het begin de hoop zouden verliezen. Evenzo liet God in een visioen duizenden engelen verschijnen tijdens de Slag bij Badr om het vertrouwen van de moslims te vergroten en zodat ze wisten dat ze niet alleen waren.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat de strijd eindigde met een overtuigende overwinning voor de moslims. In de strijd raakten 14 moslims gesneuveld terwijl 70 Mekkanen werden gedood, van wie velen Mekkaanse stamhoofden waren.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat hij deze incidenten in de toekomst zou blijven vertellen.

Gebeden voor de moslim Ummah

Zijne Heiligheid (aba) zei dat hij de aandacht wilde vestigen op speciale gebeden. Zijne Heiligheid (aba) zei te bidden voor de moslims in Palestina; moge Allah gemak voor hen creëren en de onderdrukten helpen. Moge hij hen zulk leiderschap schenken dat hun rechten vervult, hen leidt en hun onderdrukking probeert te stoppen. Ze zijn erg onderdrukt geworden en het lijkt alsof er niemand is om hen te helpen. Als het moslimvolk zich zou verenigen, zouden dergelijke dingen kunnen worden vermeden.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat ze in Zweden, en in andere landen waar mensen vrij spel hebben gekregen in naam van de vrijheid van meningsuiting en uitdrukking, de gevoelens van moslims kwetsen. Ze onteren de Heilige Koran of uiten denigrerende taal tegen de Heilige Profeet (vzmh). Zijne Heiligheid (aba) zei dat dit ook komt door de verdeeldheid onder de moslims. Zelfs als ze hun stem verheffen, zal dat slechts tijdelijk en ineffectief zijn.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat moslims ook het doelwit zijn in Frankrijk, maar de reactie van moslims is ook verkeerd. Met rellen en plunderingen bereik je niets. Moslims moeten hun daden vormgeven volgens de islamitische leer. Alleen wanneer hun woorden en daden in overeenstemming zijn met de islamitische leer, zullen ze succes zien.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat het enige wat we kunnen doen is bidden, in het bijzonder voor de moslimwereld, en voor de hele wereld in het algemeen; moge Allah iedereen beschermen tegen wreedheid en moge vrede heersen in de wereld. Moge iedereen begrijpen hoe belangrijk het is om elkaars rechten te vervullen. Anders leidt de richting van de wereld tot grote vernietiging. Moge Allah genade hebben.

Zijne Heiligheid (aba) zei ook speciaal te bidden voor Ahmadi’s in Pakistan, dat Allah hen beschermt tegen alle kwaad.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat er in Frankrijk veel demonstraties zijn en er wordt gezegd dat er veel wordt gedaan voor de jongen die werd vermoord, maar in de praktijk lijkt dit niet het geval te zijn. De fondsenwerving voor de jongen heeft slechts 200.000 euro opgeleverd, terwijl voor de politieagent die in hechtenis is genomen, meer dan een miljoen euro is opgehaald. Alleen Allah kan genade hebben, moge Hij deze mensen in staat stellen gerechtigheid te betrachten en de moslims in staat stellen om verenigd te worden.

OPMERKING: Ishaat team van Majlis Khuddam-ul-Ahmadiyya NL neemt de volledige verantwoordelijkheid voor eventuele fouten of miscommunicatie in deze samenvatting van de vrijdagpreek.

‘Het leven van de Heilige Profeet (sa) – Aanvang van de Slag bij Badr | Vrijdagpreek Hazrat Khalifa-tul-Masih V(aba) | 30 Juni 2023

Feature image
Feature image

Klik hier om de video te bekijken

Na het reciteren van Tashahhud, Ta’awwuz en Surah al-Fatihah, zei Zijne Heiligheid, Hazrat Mirza Masroor Ahmad(aba) dat hij in de vorige vrijdagpreek had gesproken over de grote uiting van liefde voor de Heilige Profeet(sa) getoond door Sawad bin Ghaziyyah(ra).

Uiting van liefde van de Metgezellen voor de Heilige Profeet(sa)

Zijne Heiligheid(aba) citeerde Hazrat Mirza Bashir Ahmad(ra) die over dit incident schrijft:

“Het was vrijdag de 17e van Ramadan 2 A.H. of 14 maart 623 A.D., volgens het christelijke kalendersysteem. In de ochtend werd er eerst salaat geofferd en daarna knielden deze aanbidders van Goddelijke eenheid voor de Ene God in een open veld. Hierna hield de Heilige Profeet (sa) een toespraak over Jihad. Toen het licht begon te worden, begon de Heilige Profeet(sa) de moslim gelederen te rangschikken met de aanwijzing van een pijl. Een metgezel met de naam Sawad(ra) stond iets voor zijn rij. De Heilige Profeet(sa) gebruikte zijn pijl om aan te geven dat hij terug in de rij moest gaan. Het gebeurde echter dat het houten deel van de pijl van de Heilige Profeet(sa) zijn borst raakte, waarop hij vrijmoedig protesteerde: “O Boodschapper van Allah! God heeft jou met de waarheid en rechtvaardigheid gezonden, maar jij hebt mij onrechtvaardig met jouw pijl gestoken. Bij God, ik eis vergelding.” De metgezellen waren geschokt, over wat Sawad(ra) bezielde. Maar de Heilige Profeet (sa) zei met uiterste genegenheid: “Goed Sawad, je mag mij ook met een pijl prikken,” en de Heilige Profeet (sa) tilde de doek op zijn borst op. In zijn immense liefde stapte Sawad(ra) naar voren en kuste de borst van de Heilige Profeet(sa). De Heilige Profeet(sa) glimlachte en vroeg: “Waarom heb je dit plan bedacht?” Hij antwoordde met bevende stem: “O Boodschapper van Allah! De vijand is voor ons. Het is niet te zeggen of ik levend terug zal keren of niet. Het was daarom mijn verlangen om jouw gezegende lichaam aan te raken voor mijn martelaarschap.” (The Life & Character of the Seal of Prophets (sa), Vol. 2, pp. 143-144)

Zijne Heiligheid(aba) zei dat de Tweede Kalief(ra) een soortgelijk voorval vertelde, maar niet uit de tijd van de Slag bij Badr, maar dichter bij de tijd van zijn overlijden. Hij verklaart dat de Heilige Profeet (sa) aan zijn metgezellen vroeg dat als hij hen ooit enige vorm van pijn had veroorzaakt, zij dit moesten uiten en de vergelding ervan in deze wereld moesten zoeken. Men kan zich alleen maar voorstellen, vanwege de hoeveelheid liefde die de metgezellen voor de Heilige Profeet (sa) hadden, hoe moeilijk dit voor hen moet zijn geweest om te horen. En dat was het zeker, want toen ze dit hoorden, begonnen de tranen uit de ogen van de metgezellen te stromen. Echter, een metgezel stond op en zei dat tijdens een veldslag, toen de Heilige Profeet (sa) de gelederen van het leger aan het opstellen was, de elleboog van de Heilige Profeet (sa) zijn rug raakte toen hij voorbij liep. De metgezellen waren woedend over het feit dat deze persoon dit had geuit. De Heilige Profeet (sa) draaide zich echter om en zei dat hij wraak kon nemen en hem met zijn elleboog kon slaan. De man zei dat toen de elleboog van de Heilige Profeet (sa) hem had geslagen, zijn rug ontbloot was. Daarom vroeg de Heilige Profeet (sa) aan zijn metgezellen om zijn hemd van zijn rug op te houden. Hierop kuste de man de rug van de Heilige Profeet (sa). Hij zei:”Hoe kan zo’n onbeduidende dienaar wraak nemen op zo’n gewaardeerde persoon als de Heilige Profeet (sa)? Hij zei dat toen hij hoorde dat de Heilige Profeet(sa) zei dat zijn tijd om uit deze wereld te vertrekken nabij was, hij de Heilige Profeet(sa) wilde kussen en dit slechts als excuus gebruikte. Wat voor kwaad kon een elleboog anders doen als hij zijn hele wezen had opgeofferd omwille van de Heilige Profeet(sa)? De metgezellen die aanvankelijk woedend waren op deze man werden woedend op zichzelf, omdat ze niet op zo’n idee waren gekomen.

De instructies van de Heilige Profeet (sa) in de strijd

Zijne Heiligheid (aba) zei dat tijdens de Slag om Badr, de metgezellen verschillende titels hadden. De Muhajirin zouden ‘O Banu Abd al-Rahman’ worden genoemd, de Khazraj stam zou ‘O Banu Abdullah’ worden genoemd, terwijl de Aus stam ‘O Banu Ubaidillah’ zou worden genoemd. Verder gaf de Heilige Profeet (sa) zijn ruiters de titel Khailullah [ruiters van Allah]. Volgens een andere overlevering herkenden de Ansar elkaar door Ahad te zeggen, vooral ‘s nachts of tijdens een hevige strijd.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat de Heilige Profeet (sa) verschillende instructies gaf voor de strijd. Na het opstellen van de gelederen, instrueerde de Heilige Profeet(sa) dat de moslims niet moesten aanvallen totdat hij daartoe opdracht gaf en dat als de vijand oprukte, zij hen moesten doen terugtrekken door pijlen op hen af te schieten. Hij zei ook dat hun zwaarden niet gezwaaid moesten worden totdat de vijand heel dichtbij was. De Heilige Profeet (sa) zei dat geduld tijdens ontberingen ertoe leidt dat Allah iemands zorgen wegneemt en hen behoedt voor verdriet.

Zijne Heiligheid(aba) zei dat tijdens de strijd, de Heilige Profeet(sa) de moslims verbood om bepaalde mensen te doden. Hij instrueerde de metgezellen dat de Banu Hashim en enkele anderen gedwongen waren om tegen hun wil naar de strijd te komen, en dus, als de moslims hen tegenkwamen, zij hen niet moesten doden. Onder deze mensen was Abbas bin Abi Muttalib. Hierop zei een metgezel dat als zij hun eigen familieleden in de strijd zouden doden, hij Abbas niet kon verlaten. Hij zei dat als hij hen zou tegenkomen, hij hem zeker met zijn zwaard zou slaan. Toen hij van deze uitspraak hoorde, vroeg de Heilige Profeet (sa) aan Hazrat Umar(ra) of zijn oom gedood zou worden. Hazrat Umar(ra) vroeg om toestemming om die metgezel met zijn zwaard te slaan voor zulke huichelarij. Hazrat Hudhaifah(ra), de metgezel die dit zei, betuigde later spijt dat hij dit gezegd had.

Zijne Heiligheid(aba) citeerde Hazrat Mirza Bashir Ahmad(ra) die schrijft:

“De Heilige Profeet(sa) richtte zich tot de metgezellen en zei:

“Er zijn sommige mensen onder het leger van de Quraish die niet zijn gekomen om met plezier deel te nemen aan deze campagne; in plaats daarvan zijn ze alleen meegekomen onder druk van de leiders van de Quraish. Zo zijn er ook mensen in dit leger, die in onze tijd van tegenspoed ons genereus behandeld hebben toen wij in Mekka waren. Het is onze plicht om hun welwillendheid terug te betalen. Als een moslim dus zo’n iemand onderwerpt, moet hij hem geen kwaad doen.”

Onder de eerste categorie van mensen noemde de Heilige Profeet (sa) specifiek de naam van ‘Abbas bin ‘Abdil-Muttalib en in de tweede categorie van mensen noemde hij de naam van Abul-Bakhtari, en verbood hun te doden. Echter, de loop van de gebeurtenissen nam zo’n onvermijdelijke wending dat Abul-Bakhtari niet gespaard kon worden van de dood. Desalniettemin kwam hij er voor zijn dood achter dat de Heilige Profeet(sa) het doden van hem had verboden.” (The Life & Character of the Seal of Prophets (sa), Vol. 2, pp. 149-150)

De gebeden van de Heilige Profeet (sa) in de strijd

Zijne Heiligheid(aba) zei dat de Heilige Profeet(sa) bad: “O mijn God! Vervul Uw beloften. O mijn Meester! Als vandaag deze partij van moslims wordt vernietigd, dan zal er na vandaag niemand overblijven die U wil aanbidden.”

Zijne Heiligheid (aba) zei dat de Heilige Profeet (sa) uit zijn tent stapte terwijl hij reciteerde: “De scharen zullen spoedig verpletterd worden en zullen hun rug in de vlucht keren. Voorwaar, het Uur is hun vastgestelde tijd en het Uur zal rampzalig en bitter zijn” (De Heilige Koran 54:46-47). De Heilige Profeet (sa) zag dat de Mekkanen 1000 mensen telden, terwijl de Moslims 313 mensen telden. De Heilige Profeet (sa) keek in de richting van de Ka’bah en bad tot Allah: “O Allah, vervul Uw belofte aan mij. O Allah, schenk mij wat U beloofd hebt. O Allah, als U deze partij van moslims vernietigt, dan zult U niet aanbeden worden op deze aarde.” De Heilige Profeet (sa) bad met zo’n vurigheid met opgeheven handen dat zijn mantel van zijn schouders viel. Hazrat Abu Bakr(ra) raapte het op, omhelsde de Heilige Profeet(sa) en zei dat Allah zijn smeekbeden zeker gehoord zou hebben. Hierop werd het volgende Koranvers geopenbaard:

“Toen jij de hulp van jouw Heer afsmeekte en Hij jou antwoordde, zeggende: “Ik zal jou bijstaan met duizend van de engelen die elkaar opvolgen.”” (De Heilige Koran 8:10)

Zijne Heiligheid(aba) citeerde Hazrat Mirza Bashir Ahmad(ra) die schrijft:

“Hierna trok de Heilige Profeet(sa) zich terug in zijn tent en hield zich opnieuw bezig met smeekbeden. Hazrat Abū Bakr(ra) vergezelde hem ook, en een groep van de Ansar onder het bevel van Sa’d bin Mu’adh(ra) werden rond de tent gestationeerd om de wacht te houden. Na korte tijd ontstond er rumoer op het slagveld, wat erop wees dat de Quraish een volledige aanval hadden ingezet. Op dat moment huilde de Heilige Profeet (sa) hevig en smeekte met uitgestrekte handen tot God. Hij zei met extreme smart: “O mijn God! Vervul Uw beloften. O mijn Meester! Als vandaag deze partij van moslims wordt vernietigd op het slagveld, dan zal er niemand overblijven die U op deze aarde wil aanbidden.”

Op dit moment was de Heilige Profeet(sa) in een staat van zo’n kwelling, dat hij soms in prostratie viel en soms opstond om God aan te roepen. De mantel van de Heilige Profeet(sa) viel herhaaldelijk van zijn rug, en Hazrat Abu Bakr(ra) raapte hem op en legde hem telkens weer op de Heilige Profeet(sa). Hazrat Ali(ra) vertelt dat tijdens de strijd, telkens als de Heilige Profeet(sa) in zijn gedachten kwam, hij naar zijn tent rende, maar telkens als hij daarheen ging, vond hij de Heilige Profeet(sa) huilend in prostratie. Hij hoorde ook dat de Heilige Profeet(sa) voortdurend gebeden aan het herhalen was: “O mijn Altijd Levende God! O mijn Leven Gevende Meester!”

Hazrat Abu Bakr(ra) was erg verontrust door deze toestand van de Heilige Profeet(sa), en zei soms spontaan: “O Boodschapper van Allah! Moge mijn moeder en vader een offer zijn. Maak je geen zorgen, Allah zal Zijn beloften zeker vervullen.” De Heilige Profeet(sa) bleef echter constant bezig met zijn smeekbeden, huilen en jammeren, volgens het volgende spreekwoord:

“Hoe wijzer een heilige, hoe groter zijn angst.” (The Life & Character of the Seal of Prophet(sa), Vol. 2, pp. 150-151)

Moedig optreden van de moslims boezemt angst in de harten van de Quraish in

Zijne Heiligheid(aba) zei dat de bovenstaande incidenten allemaal voor de eigenlijke strijd plaatsvonden; het was dus niet zo dat de Heilige Profeet(sa) niet deelnam aan de strijd. Sterker nog, de Heilige Profeet(sa) leidde het leger en droeg zelfs op dat niemand mocht oprukken tenzij hij voor hen stond. Hazrat Ali(ra) verklaart dat de Heilige Profeet(sa) op die dag moediger vocht dan alle anderen.

Zijne Heiligheid(aba) citeerde Hazrat Mirza Bashir Ahmad(ra) die zei:

“Nu hadden de legers zich voor elkaar opgesteld. Echter, op dit moment manifesteerde zich een vreemd schouwspel van Goddelijke macht. De opstelling van beide legers was zodanig dat het moslimleger in de ogen van de Quraish meer dan het dubbele leek te zijn van zijn werkelijke aantal. Hierdoor werden de ongelovigen getroffen door ontzag. Aan de andere kant leek het leger van de Quraish in de ogen van de moslims kleiner dan hun werkelijke aantal. Hierdoor werden de moslims versterkt met groot vertrouwen. De Quraish probeerden het juiste aantal van het moslimleger te achterhalen, zodat ze hun harten konden troosten die begonnen te zinken. Voor dit doel stuurden de leiders van de Quraish ‘Umair bin Wahb om op zijn paard rond het moslimleger te rijden, om het werkelijke aantal te verzamelen en of het gesteund werd door verborgen versterkingen. Dus besteeg ‘Umair zijn paard en omcirkelde de moslims, maar hij zag zoveel ontzag, vastberadenheid en onverschrokkenheid in het aangezicht van de dood op de gezichten van deze moslims, dat hij enorm ontzet terugkeerde en zich tot de Quraish richtte zeggende:

“Ik heb geen verborgen versterkingen kunnen ontdekken, maar o gezelschap van de Quraish! Ik heb gezien dat in het moslimleger niet de mannen op de zadels van deze kamelen rijden, maar dat de dood op hen zit. De vernietiging zit op de ruggen van de kamelen van Yathrib.”

Toen de Quraish dit nieuws hoorden, ging er een golf van angst door hun gelederen. Suraqah, die als hun borg was gekomen, was zo ontzet dat hij op de vlucht sloeg. Toen mensen hem probeerden tegen te houden, zei hij: “Ik zie wat jullie niet zien.”

Toen Hakim bin Hizam de mening van ‘Umair hoorde, kwam hij verwoed naar ‘Utbah bin Rabi’ah en zei:

“O ‘Utbah, het is immers de vergelding van ‘Amr Ḥaḍramī die jij zoekt van Mohammed(sa), omdat hij jouw medestander was. Zou het niet goed zijn als jullie het bloedgeld aan zijn erfgenamen betaalden en samen met de Quraish terugkeerden? Jullie zullen voor altijd bekend staan met een goede naam.” ‘Oetbah, die zelf bang was, kon zich niets beters wensen, en hij zei onmiddellijk:

“Natuurlijk! Daar ben ik het mee eens; en tenslotte Hakim! Deze moslims en wij zijn verwanten. Is het goed dat een broeder zijn zwaard opheft tegen zijn broeder en vader tegen zijn zoon? Ga naar Abul-Hakam (d.w.z. Abu Jahl) en leg hem dit idee voor.” Daarop besteeg ‘Utbah zijn kameel en begon uit zichzelf de mensen ervan te overtuigen dat:

“Het is niet correct om tegen familieleden te vechten. We moeten terugkeren en Mohammed(sa) aan zijn lot overlaten en hem zijn zaak met de stammen van Arabië zelf laten regelen. We zullen zien wat er gebeurt, en per slot van rekening is het niet zo’n gemakkelijke taak om tegen deze moslims te vechten, want zelfs als jullie mij een lafaard noemen, hoewel ik dat niet ben, zie ik een volk dat er op gebrand is om de dood te kopen.”

Toen de Heilige Profeet (sa) ‘Oetbah vanuit de verte opmerkte, zei hij: “Als er iemand is onder het leger van de Quraish die enige adel bezit, dan is het zeker in de berijder van die rode kameel. Als deze mensen naar zijn advies luisteren, dan zal het hen goed doen.” Nochtans, toen Hakim bin Hizam Abu Jahl benaderde, en hem dit voorstel voorlegde, kon het worden verwacht dat deze Farao van het volk in zoiets zou worden overgehaald? Hij antwoordde onmiddellijk, “Goed, goed, nu is ‘Utbah begonnen om zijn verwanten vóór hem te zien!” Toen riep hij ‘Amir Hadrami, de broer van ‘Amr Hadrami, en zei: “Heb je gehoord wat je bondgenoot ‘Utbah zegt? Vooral nu de vergelding van je broer in onze greep is!” De ogen van ‘Amir begonnen bloed te vergieten van woede en volgens de Arabische gewoonte scheurde hij zijn kleren af, werd naakt en begon te schreeuwen:

“Wee ‘Amr! Mijn broer wordt niet gewroken! Wee ‘Amr! Mijn broer wordt niet gewroken!”

Deze woestijnkreet wakkerde een vuur van vijandschap aan in de harten van de Quraish en de oorlogsoven begon in volle hevigheid te branden.’ (The Life & Character of the Seal of Prophets (sa), Vol. 2, pp. 146-148)

Zijne Heiligheid (aba) zei dat hij deze voorvallen in toekomstige preken zou blijven vertellen.

OPMERKING: Ishaat team van Majlis Khuddam-ul-Ahmadiyya NL neemt de volledige verantwoordelijkheid voor eventuele fouten of miscommunicatie in deze samenvatting van de vrijdagpreek.

Het leven van de Heilige Profeet (sa) – Voorbereidingen voor de Slag bij Badr | Vrijdagpreek Hazrat Khalifa-tul-Masih V(aba) | 23 Juni 2023

Feature image
Feature image

Klik hier om de video te bekijken

Na het reciteren van Tashahhud, Ta`awwuz en Surah al-Fatihah, zei Zijne Heiligheid, Hazrat Mirza Masroor Ahmad (aba) dat hij eerder had vermeld dat de Heilige Profeet (sa) metgezellen vooruit had gestuurd om informatie te verzamelen en zij kwamen terug om hem te informeren dat een leger voorbereidingen trof.

De Heilige Profeet (sa) raadpleegt de metgezellen

Zijne Heiligheid (aba) zei dat de Heilige Profeet (sa) de metgezellen informeerde over de voorbereidingen van de Mekkanen en met hen overlegde wat te doen. De metgezellen gaven hun mening, ook Hazrat Miqdad bin Amr (ra) die zei dat ze allemaal met de Heilige Profeet (sa) waren en hem zouden vergezellen in alles wat Allah hem opdroeg. Hij zei dat ze niet op hem zouden reageren zoals de Israëlieten op Mozes (as) reageerden :

“Gaat gij en uw Heer en strijdt – wij blijven hier zitten.” (Heilige Koran 5:25)

Integendeel, de metgezellen zeggen dat de Heilige Profeet (sa) samen met zijn Heer ten strijde moet trekken, en zij zouden hem allemaal vergezellen.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat met betrekking tot het vers Hazrat Miqdad (ra)  citeerde, merken sommige historici op dat het hoofdstuk waarin dit vers wordt gevonden, hoofdstuk 5 (Al-Ma’idah), lang na de gebeurtenissen van Badr werd geopenbaard. Hier worden echter verschillende verklaringen voor gegeven. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat Hazrat Miqdad (ra) van dit incident gehoord had van het Joodse volk, of het zou kunnen zijn dat om de woorden van Hazrat Miqdad (ra) te ondersteunen, dit vers door de historici zelf is toegevoegd.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat de Heilige Profeet (sa) ook de mening van de Ansar wilde vragen. Vandaar dat Hazrat Sa’d bin Mu’adh (ra) zijn verbazing uitte dat de Ansar ook naar hun mening werd gevraagd. Hij drukte toen uit dat ze hun trouw aan de Heilige Profeet (sa) hadden beloofd en hem zouden gehoorzamen in wat hij ook deed en hem dus zouden volgen waar hij ook ging. Hij zei dat zelfs als de Heilige Profeet (sa) hen naar de zee zou leiden en erin zou lopen, ze hem zouden volgen in de zee. Hij zei dat ze hem trouw zouden blijven en op zo’n dappere manier naast hem zouden vechten dat ze een plezier voor zijn ogen zouden worden.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat toen de Heilige Profeet (sa) dit hoorde, hij erg blij was en zei toen dat ze allemaal ten strijde moesten trekken, aangezien God hem de blijde tijding van de overwinning op een van de twee groepen had gegeven. De Heilige Profeet (sa) zei dat hij de plek kon zien waar de vijand dood zou vallen.

Waakzaamheid van de Heilige Profeet (sa)

Zijne Heiligheid (aba) zei dat toen de moslims naar Badr gingen en hun kamp opsloegen net buiten de vlakten. Toen gingen de Heilige Profeet (sa) en Hazrat Abu Bakr (ra) op weg en kwamen een oudere Arabische man tegen en zonder hem te vertellen wie ze waren, vroegen ze hem om wat informatie over wat hij had gehoord over Mohammed (sa) en de Quraish. Hij zei dat hij het ze zou vertellen nadat ze hadden verteld tot welke stam ze behoorden. De Heilige Profeet (sa) zei dat hij het hem zou vertellen nadat hij de informatie had gegeven. Hij vertelde hun wat hij had gehoord over de bewegingen van de Heilige Profeet (sa) en zijn informatie bleek correct te zijn. Evenzo vertelde hij hun wat hij had gehoord over de Quraish en die informatie bleek ook correct te zijn. Toen vroeg de oudere man opnieuw waar ze vandaan kwamen. De Heilige Profeet (sa) antwoordde dat ze uit het water kwamen.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat sommigen zouden kunnen zeggen dat dit antwoord van de Heilige Profeet (sa) niet het juiste antwoord was. Echter, dit antwoord was helemaal niet verkeerd, integendeel, rekening houdend met de gevoelige tijden van oorlog, gaf de Heilige Profeet (sa) een antwoord dat de moslims beschermde maar nog steeds niet vals was. Sommige historici zeggen dat de Heilige Profeet (sa) verwees naar de koranische verklaring dat alle dingen uit water zijn geschapen. Anderen hebben gezegd dat het gebruikelijk was dat mensen zichzelf identificeerden met de naam van een waterput in hun gebied. Het kan ook zijn dat de Heilige Profeet (sa) verwees naar de bron van Badr waar de moslims hun kamp hadden opgeslagen.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat de Heilige Profeet (sa) bij terugkeer in het moslimkamp een gezant naar de bron van Badr stuurde om meer informatie te verzamelen. De gezant kwam enkele Mekkanen tegen die water aan het halen waren voor de Quraish. De moslimgezant greep hen en vroeg hen om informatie; ze waren echter niet in staat om de informatie te extraheren die ze nodig hadden. Toen ze naar de Heilige Profeet (sa) werden gebracht, vroeg de Heilige Profeet (sa) hen waar de Quraish waren, en ze vertelden hem dat ze zich achter de heuvel bevonden. Toen vroeg de Heilige Profeet (sa) hen hoeveel het er waren, waarop ze antwoordden dat ze het niet wisten. Dus in plaats daarvan vroeg de Heilige Profeet (sa) hoeveel kamelen ze elke dag slachten om te eten, en ze antwoordden dat ze ongeveer 9 tot 10 kamelen slachtten. Hieruit maakte de Heilige Profeet ( vzmh ) op dat er 900-1000 Mekkanen waren . De Heilige Profeet (sa) vroeg ook welke leiders van Quraish bij het leger waren, en zij informeerden hem.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat Hazrat Mirza Bashir Ahmad (ra) bij het noemen van dit incident en wat de Heilige Profeet (sa) zei, schrijft:

‘”Hier ben je! Mekka heeft zijn grootste helden voor u neergezet.”

“Dit waren enorm intelligente en wijze woorden, die de Heilige Profeet (sa) spontaan uitsprak. De reden hiervoor is dat in plaats van dat de zwakkere moslims ontmoedigd raakten bij het horen van de namen van zoveel beroemde leiders van de Quraish, deze woorden hun waarnemingsvermogen ertoe brachten te geloven alsof God deze leiders van de Quraish had gestuurd om als prooi te dienen. voor de moslims.” (The Life & Character of the Seal of Prophets (sa) Deel II , pp. 142-143).

Voorbereidingen voor de strijd en het opzetten van het kamp

Zijne Heiligheid (aba) zei dat met betrekking tot de plaats waar de moslims hun kamp hadden opgeslagen, Hazrat Habbab (ra) vroeg de Heilige Profeet (sa) of de plaats die hij had uitgekozen een goddelijke openbaring was. De Heilige Profeet (sa) zei dat het niet te danken was aan goddelijke openbaring. Toen hij dit hoorde, drukte Hazrat Habbab (ra) zijn mening uit, namelijk dat hij dacht dat het verstandiger zou zijn om dichter bij het water te gaan overnachten. Bij het horen van zijn redenering stemde de Heilige Profeet (sa) ermee in, en het moslimkamp trok dichter bij de bron.

Zijne Heiligheid (aba) citeerde toen Hazrat Mirza Bashir Ahmad (ra) over de voorbereidingen van de moslims voor de strijd en een tent die werd voorbereid voor de Heilige Profeet (sa):

“Op voorstel van Sa’d bin Mu’adh (ra), leider van de Aus, werd er een soort tent voorbereid voor de Heilige Profeet (sa), aan één kant van het veld. Sa’d (ra) bond de rijdier van de Heilige Profeet (sa) dicht bij de tent en zei:

“O Boodschapper van Allah! Neem plaats in deze tent en we zullen de vijand bevechten in de naam van Allah. Als Allah ons de overwinning schenkt, dan is dit onze wens. Maar als God het verhoede, neemt de zaak een wending, neem dan je rijdier en bereik Medina op elke mogelijke manier. Daar zult u onze broeders en verwanten vinden, die niet minder zijn dan wij in liefde en oprechtheid. Omdat ze echter niet wisten dat ze tijdens deze campagne met oorlog zouden worden geconfronteerd, zijn ze niet meegegaan. Anders waren ze nooit achtergebleven. Wanneer ze zich bewust worden van de stand van zaken, zullen ze niet ophouden hun leven te geven om u te beschermen.”

Dit was de hartstochtelijke oprechtheid van Sa’d (ra), die in ieder geval alle lof verdient; maar kan het worden doorgrond dat de Boodschapper van Allah ooit zou vluchten van het slagveld? Als zodanig keerde een leger van 12.000 zich in het veld van Hunain de rug toe, maar dit centrum van Goddelijke Eenheid gaf geen krimp. Hoe dan ook, de tent was klaargemaakt en Sa’d (ra) samen met een paar andere Ansar omsingelde het en hield de wacht. De Heilige Profeet (sa) trok zich samen met Hazrat Abu Bakr (ra) terug in deze tent. De hele nacht, huilend en smekend, deed de Heilige Profeet (sa) smeekbeden voor Allah. Er staat geschreven dat in het hele leger alleen de Heilige Profeet (sa) de hele nacht wakker bleef.’ (The Life & Character of the Seal of Prophets (sa) – Deel II , pp. 143-144)

Zijne Heiligheid (aba) zei dat de Quraish de volgende ochtend oprukten. Toen de Heilige Profeet (sa) dit zag, bad hij dat God Zijn belofte van overwinning diezelfde dag zou vervullen. Voordat de Quraish arriveerden, regelde de Heilige Profeet (sa) de gelederen van zijn leger. Hij gebruikte een pijl om naar de moslims te wijzen en hun te vertellen waar ze heen moesten. De moslimvlag werd toegekend aan Hazrat Mus’ab bin Umair (ra) die het precies plaatste waar de Heilige Profeet (sa) het opdroeg.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat terwijl de Heilige Profeet (sa) de rijen aan het rangschikken was, Hazrat Sawad (ra) een beetje buiten zijn rang was, en dus prikte de Heilige Profeet (sa) met zijn pijl op zijn buik om hem terug te leiden. Hazrat Sawad (ra) zei dat de prik van de pijl hem pijn deed, en aangezien de Heilige Profeet (sa) was gestuurd om gerechtigheid te bewerkstelligen, zocht hij vergelding. De Heilige Profeet (sa) hief zijn shirt van zijn buik en zei dat hij vergelding kon nemen. In plaats daarvan omhelsde Hazrat Sawad (ra) de Heilige Profeet (sa). Toen de Heilige Profeet (sa) hem vroeg waarom hij dit had gedaan, antwoordde hij dat hij niet wist of hij na de slag in leven zou blijven, en dus als dit zijn laatste momenten waren, wilde hij dat ze zo waren dat hij de Heilige Profeet (sa) omhelsde.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat hij deze incidenten in toekomstige preken zou blijven vertellen.

Begrafenisgebeden

Zijne Heiligheid (aba) zei dat hij de begrafenisgebeden van de volgende overleden leden zou leiden:

Qari Mohammed Ashiq

Qari Muhammad Ashiq, een docent van Jamia Ahmadiyya en de directeur van Madrasatul Hifz. Nadat hij het memoriseren van de Heilige Koran had voltooid, voordat hij Ahmadiyyat accepteerde, gaf hij les in verschillende madrasa’s van de Ahl-e-Hadith sekte. Hij had verschillende niet-islamitische geleerden horen zeggen dat bepaalde verzen van de Heilige Koran konden worden afgeschaft, terwijl de Beloofde Messias (as) van mening was dat zelfs geen iota van de Heilige Koran kon worden veranderd of afgeschaft in welke vorm dan ook. Hij deed verder onderzoek naar de zaak en ontmoette enkele Ahmadi’s die hem boeken van de Beloofde Messias (as) gaven. Na enige tijd verloor hij echter het contact met die Ahmadi’s. Volgens Gods besluit zou hij echter verschillende dromen ontvangen, waaronder een waarin hij het volgende hoorde: “Luister naar de roep van de hemel. De Messias is gekomen! De Messias is gekomen!” Vandaar dat zijn aandacht op de een of andere manier constant werd teruggetrokken naar Ahmadiyyat en uiteindelijk zwoer hij trouw en trad hij Ahmadiyyat binnen. Hij doorstond grote ontberingen nadat hij trouw had gezworen en niet-Ahmadi moslims probeerden hem zelfs weg te krijgen met verschillende wereldse verlokkingen, maar de Almachtige God hield hem standvastig. Hij trouwde met een weduwe die al drie kinderen had en vervolgens met hem nog een dochter kreeg. In die tijd was Hazrat Mirza Tahir Ahmad (rh) de verantwoordelijke van Waqf-e-Jadid en hij vroeg om Qari Muhammad Ashiq voor een ontmoeting bij hem te brengen. Vandaar dat, na een ontmoeting en het luisteren naar zijn recitatie, Hazrat Mirza Tahir Ahmad (rh) hem aanstelde om onder Waqf-e- Jadid te werken. Vandaar dat studenten in het laatste jaar van Jamia Ahmadiyya zouden komen om van hem te leren. Hij zou ook doorgaan met het onderwijzen van de studenten van de Madrassatul Hifz en Jamia Ahmadiyya. Ook na zijn pensionering zou hij blijven dienen. Zijne Heiligheid (aba) zei dat ook hij zich herinnerde dat hij studenten lesgaf in de moskee. Hij leidde de tarawih -gebeden gedurende 15 jaar in Masjid Mubarak in Rabwah . Er werd gezegd dat hij voor deze taak was aangesteld omdat de derde kalief (rh) enorm genoot van zijn recitatie. Zijne Heiligheid (aba) zei dat zijn studenten van over de hele wereld hem brieven hebben geschreven over de grote kwaliteiten van Qari Muhammad Ashiq. Zijne Heiligheid (aba) bad dat Allah zijn positie moge verheffen en moge Allah oprechtheid en loyaliteit schenken aan zijn nageslacht.

Nooruddin Al-Husni

Nooruddin Al-Husni van Syrië verbleef momenteel in Saoedi-Arabië, waar hij vanwege zijn geloof in de gevangenis zat. In de gevangenis is hij onlangs overleden. Toen de tweede kalief (ra) Damascus bezocht, verbleef hij in het huis van de oom van Nooruddin Al-Husni, waar hij als kind de gelegenheid had om een deel van de Heilige Koran te reciteren in aanwezigheid van de tweede kalief (ra). Hij was regelmatig in het vrijwillig vasten, hij hield van het reciteren van de Heilige Koran en was regelmatig in het verrichten van tahajjud (vrijwillige gebeden vóór zonsopgang). Hij bleef standvastig in zijn geloof, zelfs in de gevangenis. Hij zou iedereen in de gevangenis vertellen dat de hulp van God nabij is. Hij wordt overleefd door zijn vrouw, die vele offers bracht terwijl haar man in de gevangenis zat, drie zonen en een dochter. Hij werd aangeklaagd wegens het verspreiden van de boodschap van Ahmadiyyat op sociale media. Hij doorstond grote ontberingen in de gevangenis, waar hij zijn familie niet eens mocht ontmoeten of aan de telefoon kon spreken. Door zijn hoge leeftijd werd hij vaak ziek, maar toch mocht hij zijn familie niet ontmoeten. Zijne Heiligheid (aba) bad dat Allah hem vergiffenis en genade moge schenken, zijn positie zou verhogen en zijn kinderen in staat zou stellen zijn deugden voort te zetten.

OPMERKING: Ishaat team van Majlis Khuddam-ul-Ahmadiyya NL neemt de volledige verantwoordelijkheid voor eventuele fouten of miscommunicatie in deze samenvatting van de vrijdagpreek.

Het leven van de Heilige Profeet (sa) – Gebeurtenissen voorafgaand aan de Slag bij Badr | Vrijdagpreek Hazrat Khalifa-tul-Masih V(aba) | 16 Juni 2023

Feature image
Feature image

Klik hier om de video te bekijken

Na het reciteren van Tashahhud, Ta’awwuz en Surah al-Fatihah, zei Zijne Heiligheid, Hazrat Mirza Masroor Ahmad(aba) dat hij verder zou gaan met het vermelden van de voorbereidingen die werden getroffen voor de strijd met de ongelovigen van Mekka.

De profetie over Umayyah bin Khalaf

Zijne Heiligheid (aba) zei dat Umayyah bin Khalaf aarzelde om de Makkanen naar de strijd te vergezellen. Het is opgetekend dat Abu Jahl naar Umayyah ging en zei dat hij tot de eerbare aanvoerders behoorde, en als hij achterbleef zou dat ertoe leiden dat anderen ook achterbleven. Echter, de reden waarom Umayyah aarzelde om te gaan was omdat de Heilige Profeet(sa) had voorspeld dat Umayyah gedood zou worden.

Zijne Heiligheid(aba) zei dat volgens een overlevering, Umayyah bescherming had gegeven aan Hazrat Sa’d bin Mu’adh(ra) waardoor hij Umrah (de mindere bedevaart) kon verrichten. Toen Hazrat Sa’d(ra) rond de Ka’bah cirkelde, zag Abu Jahl hem en bedreigde zijn veiligheid omdat hij de Heilige Profeet(sa) had aanvaard. Umayyah probeerde Hazrat Sa’d(ra) te vertellen dat hij niets tegen Abu Jahl moest zeggen omdat hij een geëerd hoofdman onder de Mekkanen was. Echter, Hazrat Sa’d(ra) zei dat als hij gehinderd werd in het lopen rond de Ka’bah, dat hij dan de weg vanuit Syrië zou hinderen die hun handelskaravanen namen. Het was ook op dit moment dat Hazrat Sa’d(ra) aan Umayyah vertelde dat hij de Heilige Profeet(sa) had horen voorspellen dat Umayyah gedood zou worden. Hierop zei Umayyah dat Mohammed(sa) nooit liegt. Het was dus vanwege deze voorspelling dat Umayyah aarzelde om ten strijde te trekken.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat Abu Jahl Umayyah overtuigde om op zijn minst twee dagen met de karavaan mee te reizen, waar Umayyah uiteindelijk mee instemde. Het was echter binnen deze twee dagen dat Umayyah uiteindelijk werd gedood, waardoor de profetie werd vervuld.

De droom van de zus van Abu Lahab

Zijne Heiligheid(aba) zei dat Abu Lahab ook bang was en aarzelde om ten strijde te trekken, en besloot om iemand anders in zijn plaats te sturen. In dit verband citeerde Zijne Heiligheid Hazrat Mirza Bashir Ahmad(ra) die schrijft:

“Er waren slechts twee individuen die aarzelden om deel te nemen, en dat waren Abū Lahab en Umayyah bin Khalf. De reden voor deze aarzeling was echter niet te wijten aan sympathie voor de moslims. Veeleer vreesde Abū Lahab de droom van zijn zus ‘Ātikata bintu ‘Abdil-Muṭṭalib, die zij slechts drie dagen voor de komst van Ḍamḍam zag en die wees op de vernietiging van de Quraish. Umayyah bin Khalf vreesde de profetie van de Heilige Profeet (sa) over zijn dood, die hij had vernomen van Sa’d bin Mu’ādh(ra), in Mekka. Echter, omdat men bezorgd was dat als deze twee beroemde leiders waren achtergebleven, dit een negatief effect zou hebben op de ongelovige massa’s, lokten de andere leiders van de Quraish hun passie en jaloezie uit, en dwongen hen uiteindelijk om in te stemmen. Met andere woorden, Umayyah werd zelf voorbereid en Abū Lahab betaalde een flinke som aan iemand anders om in zijn plaats te staan. Op deze manier werd, na een voorbereiding van drie dagen, een leger van meer dan 1.000 onverschrokken krijgers voorbereid om uit Mekka te vertrekken.

Dit leger was nog steeds in Mekka toen een paar leiders van onder de Quraish bedachten dat, aangezien de betrekkingen tussen de mensen van Mekka en de Banū Bakr, die een tak was van de Banū Kinānah, niet gunstig waren, het risico bestond dat zij in hun afwezigheid misbruik zouden maken van de situatie en Mekka zouden aanvallen. Door deze gedachte begonnen verschillende mensen uit de Quraish te aarzelen. Echter, een leider van de Banū Kinānah genaamd Surāqah bin Mālik bin Ja’sham, die op dat moment in Mekka was, verzekerde hen door te zeggen: “Ik garandeer dat er geen aanval op Mekka zal plaatsvinden.” Surāqah was zelfs zo fel in zijn vijandschap jegens de Islām, dat hij ter ondersteuning van de Quraish hen zelfs helemaal naar Badr vergezelde. Maar toen hij daar de Moslims zag, was hij zo ontzet dat hij, voordat de oorlog begon, zijn metgezellen verliet en vluchtte…

Voordat zij uit Mekka vertrokken, gingen de Quraish naar de Ka’bah en baden: “O God! Geef hulp aan die partij van deze twee partijen, die edeler en superieur is in Uw schatting en maak de andere te schande en verneder.” Hierna vertrok het leger van de ongelovigen uit Mekka met grote pracht en trots.” (Life & Character of the Seal of ProphetsVol. II pp. 133-134)

De droom van Juhain bin Salt

Zijne Heiligheid (aba) zei dat op het moment van vertrek de Mekkanen 1.300 in getal waren. Echter, onderweg scheidden de mensen van Banu Zuhra en Banu Adi zich af van het leger, waardoor het leger van de Quraish ongeveer 950 tot 1.000 in getal bleef.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat de mensen van de Quraish op weg waren en onderweg stopten in Juhfa. Daar vertelde een man genaamd Juhain bin Salt over een droom van hem, waarin hij zag dat een man aan kwam rijden op een paard en hij had ook een kameel, de namen aankondigend van verschillende Mekkaanse hoofdmannen, zeggende dat ze gedood waren. Vervolgens stak hij zijn kameel met een speer en er was geen enkele tent van de Mekkanen die niet door de kamelen bloed werd bevlekt. Bij het horen van deze droom bespotte Abu Jahl hem, maar de namen die hij noemde waren degenen die inderdaad omkwamen in de Slag bij Badr.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat zoals vermeld in de vorige preek, Abu Sufyan een andere route had genomen in een poging om de moslims, die probeerden zijn handelskaravaan te onderscheppen, te vermijden. Na succesvol te zijn geweest in het vermijden van hen, stuurde Abu Sufyan een bericht naar het Mekkaanse leger dat de handelskaravaan veilig was en er dus geen noodzaak was om ten strijde te trekken. Echter bij het horen hiervan zei Abu Jahl dat ze niet zouden terugkeren totdat ze Badr bereikt hadden en de moslims hadden geïntimideerd.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat de zoon van Abu Talib, Talib bin Abu Talib ook was vertrokken met het leger van Mekka. Onderweg beschimpten mensen hem en zeiden dat hij weliswaar met hen was meegegaan, maar dat ze wisten dat zijn sympathieën bij Mohammed (sa) lagen. Hierop keerden hij en een paar anderen terug naar Mekka.

313 Metgezellen

Zijne Heiligheid(aba) zei dat de Heilige Profeet(sa) op 12 Ramadan AH uit Medina vertrok met iets meer dan 300 mensen van zowel de Ansar als de Muhajireen. De Heilige Profeet(sa) had Hazrat Uthman bin Affan(ra) opgedragen achter te blijven omdat zijn vrouw Ruqayyah ziek was. Volgens de meeste verslagen staat er dat de moslims 313 in getal waren. Er is een verhaal waarin staat dat de Heilige Profeet(sa) opdracht gaf om de moslims te tellen. De Heilige Profeet (sa) werd geïnformeerd dat er 313 waren. Dit verheugde de Heilige Profeet(sa) zeer, die zei dat dit hetzelfde aantal was als de metgezellen van Taloet.

Het martelaarschap van Umm Waraqah bin Naufal(ra)

Zijne Heiligheid(aba) zei dat er een vrouw was genaamd Umm Waraqah bin Naufal(ra) die naar de Heilige Profeet(sa) ging met het verzoek om mee te gaan met het leger zodat ze de gewonden kon verzorgen. De Heilige Profeet (sa) droeg haar op achter te blijven, maar God zou haar het martelaarschap schenken. Later gaf de Heilige Profeet (sa) haar de titel Shaheedah en ze werd algemeen bekend onder deze naam.

De kracht van het moslimleger en het gebed van de Heilige Profeet (sa)

Zijne Heiligheid(aba) zei dat met betrekking tot de sterkte van het moslimleger, in sommige vertellingen staat dat de moslims slechts vijf paarden hadden terwijl in andere vertellingen staat dat ze er slechts twee hadden. De moslims hadden slechts 60 harnassen en slechts 70 of 80 kamelen, waarop iedereen om beurten reed. Toen de Heilige Profeet (sa) aan de beurt was om te lopen, verzochten de Metgezellen hem te blijven rijden terwijl zij liepen, maar de Heilige Profeet (sa) zei dat zij niet sterker waren dan hij, en hij was niet uitgesloten van het zoeken naar de zegeningen van de oorlog.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat tijdens deze reis, de Heilige Profeet (sa) bad voor zijn Metgezellen, “O Allah, ze zijn blootsvoets, schenk hen rijdieren; ze zijn ongekleed, schenk hen kleding; ze hebben honger, verzadig hen; ze zijn in benarde omstandigheden, schenk hen rijkdom door Uw genade.” Dit gebed werd zeker verhoord, want op de terugweg van de Slag bij Badr was er niemand die een rijdier wilde en er geen kreeg of zelfs meer. Evenzo vonden degenen zonder kleren kleren, er was geen tekort aan voedsel en elk huishouden kwam in rijkdom.

Metgezellen die zich niet bij het leger konden voegen

Zijne Heiligheid(aba) zei dat bij de voorbereiding van de strijd, sommigen zeiden dat hun rijdende kamelen buiten de stad waren en vroegen toestemming om ze te halen, maar het werd hen niet toegestaan om dit te doen, en dus bleven ze of achter of gingen te voet op weg. Zo waren er ook anderen die toestemming kregen om achter te blijven vanwege een legitieme reden. Bijvoorbeeld, Hazrat Abu Umamah bin Tha’lbah(ra) was van plan om naar Badr te gaan ondanks de slechte gezondheid van zijn moeder, maar de Heilige Profeet(sa) droeg hem op om achter te blijven en voor haar te zorgen. Tegen de tijd dat de Heilige Profeet (sa) terugkeerde, was ze overleden en hij bad bij haar graf. Op dezelfde manier, instrueerde de Heilige Profeet (sa) alle jongeren onderweg om terug te keren naar Medina.

De vlag van de Islam

Zijne Heiligheid(aba) zei dat het is opgetekend dat de vlag van de Islam werd gegeven aan Hazrat Mus’ab bin Umair(ra) en het was wit van kleur. Er waren twee andere zwarte vlaggen, waarvan er één aan Hazrat Ali(ra) werd gegeven en de andere werd gegeven aan een andere Metgezel van uit de Ansar.

De Heilige Profeet(sa) gaf Habib toestemming om zich bij het Moslimleger aan te sluiten

Zijne Heiligheid(aba) zei dat er een man genaamd Habib in Medina was van de Khazraj stam die erg dapper was en bedreven in de strijd en die ook was vertrokken samen met zijn stamgenoten, maar hij was geen moslim op dat moment. De moslims waren erg blij dat hij deel uitmaakte van hun leger, maar de Heilige Profeet (sa) zei dat alleen diegenen hen zouden vergezellen die van hun geloof waren. Habib verzocht de Heilige Profeet(sa) twee keer maar de Heilige Profeet(sa) stemde niet toe. Pas bij de derde keer, toen hij zijn geloof beleed, stond de Heilige Profeet(sa) hem toe om het moslimleger te vergezellen.

Zijne Heiligheid(aba) zei dat toen de Heilige Profeet(sa) Safra, een weelderige groene vallei, bereikte, de Heilige Profeet(sa) enkele Metgezellen vooruit stuurde om informatie over Abu Sufyan te verzamelen. Bij aankomst in Badr, hoorden deze Metgezellen twee meisjes spreken over de komst van het Mekkaanse leger in twee dagen, en dus keerden ze terug naar de Heilige Profeet(sa) om hem te informeren dat de komst van een leger op handen was.

Zijne Heiligheid(aba) zei dat hij in toekomstige preken over dit onderwerp zou blijven spreken.

Begrafenisgebeden

Zijne Heiligheid(aba) zei dat hij de begrafenis gebeden zou leiden van de volgende overleden leden:

Sheikh Ghulam Rahmani van het Verenigd Koninkrijk die onlangs is overleden. Hij was de zoon van een metgezel van de Beloofde Messias(as). Zijn vader reisde in 1902 naar Qadian waar hij de Beloofde Messias(as) zag en wist dat hij niet vals kon zijn. Sheikh Ghulam Rahmani diende als de Nationale Algemene Secretaris voor de UK en ook als de Lokale Voorzitter van de Gemeenschap in Southall. Hij gaf elke week lessen in het missiehuis. Hij was ook de nationale secretaris van Wasaya. Hij was regelmatig in het aanbieden van gebeden, het houden van vasten, het reciteren van de Koran, en was een liefdevol en medelevend persoon. Hij hield veel van Khilafat. Hij had ook de eer om hadj uit te voeren. Hij wordt overleefd door zijn vrouw, een zoon en een dochter. Zijne Heiligheid (aba) bad dat Allah hem vergiffenis en barmhartigheid moge schenken, zijn stand verheffen en zijn kinderen in staat stellen om de erfenis van zijn deugden voort te zetten.

Tahir Aag Muhammad van Mahdi Abad, Dori, Burkina Faso die onlangs is overleden. Zijn vader accepteerde Ahmadiyyat in 1999, maar hijzelf accepteerde Ahmadiyyat niet. Later, toen hij als jongere ziek werd, bad hij voor leiding over de waarheid van Ahmadiyyat en toen hij werd geleid, accepteerde hij Ahmadiyyat. Hij leerde de vaardigheid van het naaien en voor de afgelopen Eid al-Fitr, naaide hij kleding voor de families van de martelaren van Burkina Faso. Hij had kanker waardoor zijn been was geamputeerd. Het was uiteindelijk deze ziekte die tot zijn dood leidde. Hij wordt overleefd door twee vrouwen en vijf kinderen. Zijne Heiligheid (aba) bad dat Allah hen geduld mag schenken, hen in staat mag stellen de erfenis van zijn deugden voort te zetten en dat Allah de overledene vergiffenis en barmhartigheid mag schenken en zijn plaats mag verhogen.

Khwaja Daud Ahmad die op 25 mei is overleden. Zijn zoon Khwaja Fahad Ahmad is missionaris in Kiribati. Hij woonde in Canada waar hij de Gemeenschap in verschillende hoedanigheden kon dienen. Voordat hij naar Canada kwam diende hij in Pakistan en op een bepaald moment waardeerde de Derde Kalief (rh) zelfs zijn inspanningen. Hij hield veel van Khilafat. Hij woonde een bijeenkomst bij in het plaatselijke gebedscentrum toen hij pijn in zijn borst kreeg. Na een hartaanval overleed hij enkele ogenblikken later. Hij wordt overleefd door zijn vrouw, vier zonen en een dochter. Zijn zoon, die missionaris is, kon de begrafenis van zijn vader niet bijwonen wegens zijn werkzaamheden als missonaris. Zijne Heiligheid (aba) bad dat Allah hem geduld mag schenken en dat Allah de overledene vergiffenis en barmhartigheid mag schenken en zijn positie mag verbeteren.

Syed Tanvir Shah uit Canada die onlangs overleed terwijl hij in Paraguay was waar hij een tijdelijke periode van toewijding diende. Hij heeft een zoon Syed Raza Shah die missionaris is. Hij stamde uit de familie van een Metgezel van de Beloofde Messias (as) en de familie van Hazrat Umme Tahir. Hij had een passie voor het verspreiden van de boodschap van Islam. Tijdens zijn reis naar Paraguay kwamen er zelfs twee mensen in de kudde van Islam Ahmadiyyat. Hij was zeer tevreden met zijn middelen en vertrouwde op Allah om in al zijn behoeften te voorzien. Hij spoorde zijn zoon aan om zijn plichten te begrijpen en ze op de beste manier uit te voeren. Hij hield veel van de Khalifa en bracht dezelfde liefde over op zijn kinderen. Hij sprak nooit kwaad over iemand en zorgde ook voor zijn schoonfamilie. Ondanks dat hij verschillende functies bekleedde, bleef hij altijd nederig. Zijn persoonlijkheid liet een diepe indruk achter op de jeugd van Paraguay. Hij glimlachte altijd en was nooit boos. In plaats daarvan was hij heel teder en vriendelijk. Hij leek altijd op zoek naar manieren om Allah te behagen. Hij liet zien dat woorden niet altijd nodig zijn om anderen te onderwijzen, maar dat daden een diepe impact kunnen hebben. Zijne Heiligheid (aba) bad dat Allah de overledene vergiffenis en barmhartigheid moge schenken en zijn positie mag verhogen.

Rana Zafarullah Khan was een missionaris en overleed in april. Hij diende voor een zeer lange tijd als missionaris in verschillende plaatsen. Hij was erg nederig en eenvoudig. Hij werkte hard en liet een diepe indruk achter op de gemeenschap in Afghanistan. Velen boden hun condoleances aan bij zijn overlijden en gaven aan dat hij voor hen een toelage had bedongen. Hij wordt overleefd door zijn moeder, vrouw en drie dochters. Zijne Heiligheid (aba) bad dat Allah de overledene vergiffenis en barmhartigheid moge schenken en zijn kinderen in staat mag stellen de erfenis van zijn deugden voort te zetten.

OPMERKING: Ishaat team van Majlis Khuddam-ul-Ahmadiyya NL neemt de volledige verantwoordelijkheid voor eventuele fouten of miscommunicatie in deze samenvatting van de vrijdagpreek.

Het leven van de Heilige Profeet (sa): vroege expedities | Vrijdagpreek Hazrat Khalifa-tul-Masih V(aba) | 9 Juni 2023

Feature image
Feature image

Klik hier om de video te bekijken

Na het reciteren van Tashahhud, Ta’awwuz en Surah al-Fatihah, zei Zijne Heiligheid, Hazrat Mirza Masroor Ahmad (aba) dat in de vorige preek de verschillende omstandigheden na de migratie van de Heilige Profeet (sa), de omstandigheden die leidden tot de Slag bij Badr en de inspanningen ter verdediging tegen de ongelovigen werden genoemd. Zijne Heiligheid (aba) zei dat hij vandaag enkele van de expedities zou noemen die plaatsvonden vóór de slag bij Badr, evenals de voorbereidingen die de moslims troffen voor de strijd tegen de ongelovige mensen van Mekka.

De expeditie van Sif al-Bahr

Zijne Heiligheid (aba) zei dat Sariyyah Hazrat Hamzah, of Sariyyah Seef al-Bahr de eerste expeditie was die plaatsvond. De Heilige Profeet (sa) stuurde deze gezanten met 30 ruiters in Ramadan 1 AH onder leiding van Hazrat Hamzah (ra). Deze gezanten reisden naar Ees, dat ongeveer 240 kilometer van Medina lag. Handelskaravanen kwamen hier vaak langs en toen de moslimgezanten daar aankwam, kwam er toevallig een Mekkaanse karavaan langs. Ze kwamen dicht bij de strijd; het werd echter vermeden.

De expeditie van Ubaidah bin Harith

Zijne Heiligheid (aba) zei dat de volgende expeditie naar Sariyyah Ubaidah bin Harith was, die plaatsvond in Shawwal 1 AH. 60 moslims werden onder leiding van Hazrat Ubaidah bin Harith (ra) naar Sani’ah al-Mar’ah gestuurd. Daar kwamen de moslims een groep Mekkanen tegen . Hoewel er geen strijd was, was er een uitwisseling van pijlen. Aangezien dit nooit eerder is gebeurd, was het Hazrat Sa’d bin Abi Waqqas (ra) die de eer had om de eerste pijl in de Islam te werpen.

De expeditie van Sa’d bin Abi Waqqas

Zijne Heiligheid (aba) zei dat er toen de Sariyyah Sa’d bin Abi Waqqas wa. Volgens sommigen gebeurde dit in 1 AH, terwijl anderen zeggen dat het in 2 AH was. Twintig moslims werden gestuurd onder leiding van Hazrat Sa’d bin Abi Waqqas (ra) met de instructie om niet voorbij de Kharar-vallei te komen. Hun doel was om een handelskaravaan van de Quraish tegen te houden, maar bij aankomst realiseerden ze zich dat ze de karavaan net een dag hadden gemist.

De eerste expeditie waaraan de Heilige Profeet (sa) deelnam

Zijne Heiligheid (aba) zei dat een andere expeditie was naar Ghazwah Waddan die plaatsvond in Safar 2 AH. Historici zeggen dat dit de eerste expeditie was waaraan de Heilige Profeet (sa) zelf deelnam. De Heilige Profeet (sa) stelde Hazrat Sa’d bin Ubadah (ra) in zijn plaats aan als leider van Medina. Het doel van deze expeditie was om een handelskaravaan van de Quraish tegen te houden, maar de moslims misten het. Tijdens deze reis sloot de Heilige Profeet (sa) echter een vredesverdrag met de Banu Damrah. Deze hele expeditie duurde 15 dagen. Waddan is een plaats tussen Mekka en Medina en ongeveer 100 km van Juhfa en is waar de moeder van de Heilige Profeet (sa) is begraven.

Zijne Heiligheid (aba) merkte op dat hij de details geeft van de verschillende plaatsen waar deze gebeurtenissen plaatsvonden, zodat degenen die verschillende plaatsen bezoeken terwijl ze op weg zijn naar Umrah en ook deze plaatsen willen bezoeken, kennis kunnen maken met de geschiedenis.

De patrouille van Buwat

Zijne Heiligheid (aba) zei dat een andere expeditie de Ghazwah Buwat was die plaatsvond in Rabi’ al-Awwal 2 AH. De Heilige Profeet (sa) ging ook op deze expeditie mee en stelde in zijn plaats Hazrat Sa’d bin Mu’adh (ra) aan als leider van Medina. De Heilige Profeet (sa) vertrok met twee metgezellen om een handelskaravaan op de Quraish, bestaande uit 100 Quraish en 500 kamelen, tegen te houden. Bij aankomst in Buwat realiseerden ze zich dat ze de karavaan hadden gemist en keerden dus terug naar Medina. Buwat ligt op ongeveer 100 km afstand van Medina.

De patrouille van Dhu al-Ushairah

Zijne Heiligheid (aba) noemde toen Ghazwah Ushaira . De Heilige Profeet (sa) vernam dat een handelskaravaan van de Quraish Mekka had verlaten waarin de Mekkanen al hun rijkdom hadden geïnvesteerd. Het was hun bedoeling om de winsten van deze handelskaravaan te gebruiken om zich uit te rusten tegen de moslims. Daarom vertrok de Heilige Profeet (sa) in 2 AH samen met 150-200 moslims naar Ushairah, maar ze kwamen de handelskaravaan niet tegen.

Ghazwah Badr al-Ula

Zijne Heiligheid (aba) zei dat er ook de Ghazwah Badr al-Ula was. Na terugkomst uit Ushairah viel iemand een grasveld in Medina aan. Samen met enkele metgezellen ging de Heilige Profeet (sa) achter hem aan, maar ze konden hem niet bereiken. Hierover citeerde Zijne Heiligheid (aba) Hazrat Mirza Bashir Ahmad (ra), die schrijft:

‘Deze aanval op Kurz bin Jabir was geen kleine bedoeïenenplundering, het is eerder duidelijk dat hij namens de Quraish tegen de moslims was vertrokken, met een bepaald motief. In feite is het zeer waarschijnlijk dat hij specifiek was gekomen met de bedoeling om de persoon van de Heilige Profeet (sa) letsel toe te brengen, maar toen hij de moslims waakzaam aantrof, besloot hij tot de roof van hun kamelen en rende weg. Dit toont ook aan dat de Qoeraisj van Mekka van plan waren Medina binnen te vallen om de moslims volledig te vernietigen. Er moet ook aan worden herinnerd dat de moslims daarvoor al toestemming hadden gekregen voor Jihad met het zwaard, en in een gevoel van zelfverdediging waren ze ook begonnen met het toepassen van een eerste actieplan in dit opzicht. Tot nu toe hadden ze echter praktisch geen verlies geleden in termen van rijkdom of levens. De inval van Kurz bin Jabir was er echter een die de moslims praktisch schade toebracht. Met andere woorden, zelfs na de acceptatie van de uitdaging van de Quraish, waren het de ongelovigen die praktisch het gevecht begonnen.’ (Het leven en karakter van het zegel der profeten – Vol. II p. 102)

De expeditie van Nakhlah

Zijne Heiligheid (aba) zei dat er toen de Sariyyah van Abdullah bin Jahsh was. De Heilige Profeet (sa) stuurde Hazrat Abdullah bin Jahsh (ra) samen met 8 migranten naar Nakhlah. De Heilige Profeet (sa) gaf Hazrat Abdullah (ra) een brief en zei hem deze pas te openen nadat hij twee dagen had gereisd. Bij het openen las Hazrat Abduallah (ra) dat de Heilige Profeet (sa) hen had opgedragen om naar Nakhlah te reizen en inlichtingen in te winnen over de bewegingen van de Quraish. Hazrat Abdullah (ra) informeerde toen degenen die hem vergezelden over de bevelen die hij had ontvangen. Hij informeerde hen ook dat de Heilige Profeet (sa) hem, voordat hij vertrok, had gezegd niemand te dwingen hem op zijn missie te vergezellen. Maar zelfs toen ze de optie kregen, besloot niemand te vertrekken en gingen ze allemaal verder. Bij aankomst in Nakhlah passeerden ze een karavaan van de Quraish. Toen ze de moslims zagen, werden ze bang, maar toen ze zagen dat een van de hoofden van de moslims geschoren was, dachten ze dat ze gewoon op reis waren naar Umrah en lieten ze hen met rust. De groep moslims besloot na overleg de Quraish aan te vallen, waarbij één van de Quraish stierf, twee gevangen werden genomen en één ontsnapte. Toen hij terugkeerde naar Medina en de Heilige Profeet (sa) ontmoette, vertelde de Heilige Profeet (sa) aan Hazrat Abdullah (ra) dat hij hen niet had opgedragen om te vechten en dus niets accepteerde dat ze naar hem hadden teruggebracht. De Quraish klaagden ook dat deze aanval had plaatsgevonden tijdens een verboden maand en begonnen dus ook met voorbereidingen om de moslims aan te vallen. De Slag bij Badr was voor een groot deel het resultaat van deze voorbereidingen.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat na dit incident het volgende vers van de Heilige Koran werd geopenbaard:

“Zij vragen u omtrent het vechten in de heilige maand. Zeg: “Het vechten hierin is een grote overtreding, maar de mensen van de weg van Allah af te houden en Hem ondankbaar te zijn en (de toegang tot) de Heilige Moskee (te verhinderen) en haar mensen er van te verdrijven, is bij Allah een grotere zonde; en vervolging is erger dan doden. En zij zullen niet ophouden, u te bevechten, totdat zij u van uw geloof hebben afgebracht, als zij kunnen.” (De Heilige Koran 2:218)

Zijne Heiligheid (aba) zei dat God de staat kende van de vijand die voortdurend probeerde de moslims aan te vallen, en daarom uitte Hij geen enkel ongenoegen over dit incident. Hij wist ook dat de tegenstanders hun pogingen om moslims aan te vallen voortzetten, zelfs tijdens de verboden maanden. Daarom was de openbaring van dit vers een bron van opluchting voor de moslims.

De slag bij Badr

Zijne Heiligheid (aba) zei dat er toen de Ghazwah Badr al-Kubra was, die in de Heilige Koran ook wel de Dag van Onderscheiding wordt genoemd. De Heilige Profeet (sa) had vernomen dat Abu Sufyan terugkeerde uit Syrië met een handelskaravaan van de Quraish bestaande uit 1000 kamelen. Dit was dezelfde karavaan die de Heilige Profeet (sa) op weg was naar Ushairah wilde onderscheppen, maar waartoe hij niet in staat was geweest. Sommigen die geen kennis hebben, beweren dat de moslims alleen geïnteresseerd waren in het plunderen van de handelskaravanen van de Quraish. Deze bewering wordt echter alleen geuit door degenen die op dat moment niet op de hoogte waren van de omstandigheden. Als reactie hierop citeerde Zijne Heiligheid (aba) Hazrat Mirza Bashir Ahmad ( ra ) , die schrijft:

‘Op pad gaan om de karavaan te onderscheppen is helemaal niet verwerpelijk. De reden hiervoor is dat ten eerste deze specifieke karavaan die de moslims wilden achtervolgen, geen gewone karavaan was. Elke man en vrouw van onder de Quraish had er aandelen in. Dit toont aan dat met betrekking tot deze karavaan het de bedoeling was van de leiders van de Quraish dat deze winst zou worden gebruikt om oorlog te voeren tegen de moslims; de geschiedenis bewijst dat juist deze winst werd gebruikt om de slag om Uḥud voor te bereiden . Als zodanig was het onderscheppen van deze karavaan een noodzakelijk onderdeel van de oorlogstactiek. Ten tweede was het in het algemeen ook nodig om deze karavanen van de Quraish te onderscheppen omdat ze bewapend waren en zeer dicht bij Medina zouden passeren. De moslims bleven voortdurend in gevaar door hen en het was noodzakelijk om hier een einde aan te maken. Ten derde, waar deze karavanen ook heen zouden gaan, ze zouden de stammen van Arabië zwaar ophitsen tegen de moslims, waardoor de staat van de moslims steeds kwetsbaarder werd; als zodanig was het blokkeren van hun doorgang een onderdeel van hun beschermings- en zelfverdedigingstactiek. Ten vierde was het levensonderhoud van de Quraish voornamelijk afhankelijk van handel, en om deze reden was het onderscheppen van deze karavanen een uitstekend middel om de Quraish tot bezinning te brengen, hen te stoppen met hun oorlogsdaden en hen aan te sporen tot verzoening en de vestiging van vrede.’ (Het leven en karakter van het zegel der profeten – Vol. II pp. 120-121)

Zijne Heiligheid (aba) zei dat de Heilige Profeet (sa) twee metgezellen had gestuurd om informatie over deze karavaan te verzamelen. Toen ze terugkeerden naar Medina met informatie, hoorden ze dat de Heilige Profeet (sa) al was vertrokken en hem pas ontmoetten toen hij terugkeerde van de Slag bij Badr, maar ze waren betrokken bij de verdeling van de buit.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat toen Abu Sufyan hoorde dat de Heilige Profeet (sa) erop uit was gegaan om de karavaan te onderscheppen, hij erg bang werd en een bericht naar Mekka stuurde waarin hij de Quraish ophitste. Ondertussen deed Abu Sufyan zijn best om de moslims te ontwijken. Hij nam een ander pad en ging snel verder.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat drie nachten voordat de boodschap van Abu Sufyan Mekka bereikte, de tante van vaderskant van de Heilige Profeet (sa), Atiqah bint Abdil Muttalib een droom zag die haar deed vrezen voor de ondergang van de Mekkanen. Ze zag dat een man op een kameel reed en stopte tussen Mekka en Mina terwijl hij uitriep dat iedereen zich binnen drie dagen op de plaats van hun dood moest verzamelen. Mensen verzamelden zich om hem heen, en toen zag ze dat zijn kameel boven op de Ka’bah stond , en hij riep en zei hetzelfde. Ze zag hem toen bovenop een bekende berg hetzelfde roepen. Ze zag hem toen een steen van de berg naar beneden gooien, die vervolgens in stukken brak, en er was geen enkel huis in Mekka waar een stuk van die steen niet terechtkwam. Uiteindelijk verspreidde het woord van deze droom zich onder de Mekkanen. Toen Abu Jahl hiervan hoorde en de familie van Abdul Muttalib begon te straffen, voelde Hazrat Abbas (ra) zich genoodzaakt te ontkennen dat een dergelijke droom was gezien. Hij had er grote spijt van en drie dagen na de droom besloot hij naar Abu Jahl te gaan om de zaak recht te zetten. Toen hij ging, zag hij Abu Jahl naar de Ka’bah rennen . Dit was het resultaat van het feit dat de boodschapper van Abu Sufyan was gearriveerd en de Mekkanen informeerde over de onderschepping door de Heilige Profeet (sa) van hun handelskaravaan.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat Abu Jahl, toen hij dit nieuws hoorde, begon met het voorbereiden van de Mekkanen op oorlog. Vandaar dat de voorbereidingen begonnen, en ofwel gingen ze zelf ten oorlog, of sponsorden ze iemand anders om erop uit te trekken om tegen de moslims te vechten. Hoewel de boodschapper had aangekondigd dat de Mekkanen zouden gaan om hun karavaan te helpen, gingen ze in plaats daarvan na een paar dagen, nadat ze voorbereidingen hadden getroffen voor de strijd. Sommige Mekkanen hadden zelfs geloot of ze ten strijde moesten trekken, en het resultaat daarvan was dat ze hen afraadden om te gaan. Het was echter op aandringen van Abu Jahl dat ze gedwongen werden te gaan.

Zijne Heiligheid (aba) zei dat hij deze incidenten in de toekomst zou blijven vertellen.

OPMERKING: Ishaat team van Majlis Khuddam-ul-Ahmadiyya NL neemt de volledige verantwoordelijkheid voor eventuele fouten of miscommunicatie in deze samenvatting van de vrijdagpreek.

Het leven van de Heilige Profeet (sa): Omstandigheden die leidden tot de Slag bij Badr | Vrijdagpreek Hazrat Khalifa-tul-Masih V(aba) | 2 Juni 2023

Feature image
Feature image

Klik hier om de video te bekijken

Na het reciteren van Tashahhud, Ta’awwuz, en Surah al-Fatihah, zei Zijne Heiligheid, Hazrat Mirza Masroor Ahmad(aba) dat de levens, incidenten en offers van de Metgezellen die deelnamen aan de Slag om Badr gedetailleerd werden beschreven in een serie preken. Zijne Heiligheid(aba) zei dat velen tegen hem hebben gezegd dat het leven van de Heilige Profeet(sa) ook gedetailleerd zou moeten worden omdat het alleen te danken was aan het verbonden zijn met hem dat de Metgezellen hoge rangen bereikten. Zij geloofden niet alleen, maar zij belichaamden de Eenheid van God zoals onderwezen door de Heilige Profeet(sa).

Zijne Heiligheid(aba) zei dat hij door de jaren heen verschillende aspecten van de Heilige Profeet(sa) heeft belicht in zijn preken. Zijn leven was echter van dien aard dat het niet beperkt kan worden tot bepaalde aspecten. Zijn kwaliteiten waren zo uitgebreid dat ze niet eens in een aantal preken kunnen worden opgenomen. In feite bevat elke preek of toespraak een vermelding van een aspect van het leven van de Heilige Profeet (sa), omdat ons leven om hem draait. We kunnen niet handelen volgens de Sharia zonder zijn voorbeeld.

Omstandigheden in de aanloop naar de Slag bij Badr

Zijne Heiligheid(aba) zei dat hij vandaag zou beginnen met een serie preken over de Heilige Profeet(sa) in relatie tot de Slag bij Badr. Alvorens de slag zelf te noemen, zei Zijne Heiligheid(aba) dat het belangrijk is om de omstandigheden te begrijpen die ertoe leidden dat de slag in de eerste plaats plaatsvond. Zijne Heiligheid(aba) citeerde Hazrat Mirza Bashir Ahmad(ra) die schrijft:

‘Het Mekkaanse leven van de Heilige Profeet(sa), de wreedheden die de Moslims werden aangedaan door de Qoeraisj en de listen die zij toepasten om de Islām te verdrijven, waren genoeg reden voor het uitbreken van oorlog tussen twee naties, in elk tijdperk en in alle soorten omstandigheden. De geschiedenis bewijst dat de ongelovigen van Mekka, naast uiterst vernederende bespotting en uiterst beledigende beschimpingen en laster, de Moslims met geweld ervan weerhielden de Ene God te aanbidden en Zijn Eenheid te verkondigen. Zij werden zeer wreed geslagen en genadeloos mishandeld, hun rijkdommen werden onrechtmatig toegeëigend, zij werden geboycot in een poging hen te doden en te ruïneren, terwijl sommigen meedogenloos werden gemarteld en hun vrouwen werden onteerd. Dit ging zo ver dat vele moslims, verstoord door deze wreedheden, Mekka verlieten en naar Abessinië trokken. De Qoeraisj berustten hier echter ook niet in en stuurden een delegatie naar het koninklijk hof van de Negus in een poging dat deze Muhājirīn op de een of andere manier naar Mekka zouden terugkeren en de Qoeraisj succesvol zouden zijn in het afkeren van hun geloof, of het elimineren van hen. Toen werden er grote pijnen toegebracht aan de Meester en Leider van de Moslims, die hun dierbaarder was dan hun eigen zielen, en hij werd onderworpen aan allerlei soorten leed. Na het belijden van de naam van God, bestookten de vrienden en kameraden van de Qoeraisj de Heilige Profeet (sa) met stenen in Ṭā’if, zodanig dat zijn lichaam doordrenkt raakte met bloed. Uiteindelijk werd met instemming van alle vertegenwoordigers van de verschillende stammen van de Qoeraisj in het Nationale Parlement van Mekka besloten dat Mohammed (sa), de Boodschapper van Allāh, zou worden vermoord, zodat alle sporen van de Islām zouden worden uitgewist en de Goddelijke Eenheid tot een einde zou worden gebracht. Toen, om dit bloedige besluit praktisch uit te voeren, verzamelden de jongeren van Mekka, die van de verschillende stammen van de Qoeraisj waren, een groep en vielen ‘s nachts het huis van de Heilige Profeet (sa) aan. Maar God beschermde de Heilige Profeet (sa) en hij verliet zijn huis – hen in het stof achterlatend – en hij zocht zijn toevlucht in de grot van Thaur. Waren deze wreedheden en bloedige besluiten niet gelijk aan een oorlogsaankondiging van de Qoeraisj? Kan, tegen de achtergrond van deze incidenten, iemand met gezond verstand beweren dat de Qoeraisj van Mekka niet in oorlog waren met de Islām en de Moslims? Zouden deze wreedheden van de Qoeraisj dan niet voldoende reden kunnen zijn om een defensieve oorlog van de Moslims te rechtvaardigen? Zou, onder zulke omstandigheden, welke eervolle natie ter wereld dan ook, die zich niet heeft neergelegd bij zelfmoord, zich kunnen verzetten tegen de aanvaarding van zo’n ultimatum als door de Qoeraisj aan de moslims werd gesteld? Zeer zeker, als er een andere natie was geweest in plaats van de moslims, dan zouden zij veel eerder het slagveld tegen de Qoeraisj betreden hebben. De moslims werden echter bevolen geduld en vergeving te tonen door hun Meester. Als zodanig staat er geschreven dat toen de vervolging van de Qoeraisj verhevigde, ‘Abdur-Raḥmān bin ‘Auf(ra), en andere Metgezellen, zichzelf voor de Heilige Profeet(sa) stelden, en toestemming vroegen om de Qoeraisj te bestrijden, maar de Heilige Profeet(sa) antwoordde:

“Voorlopig heb ik het bevel gekregen om gratie te verlenen. Ik kan jullie dus geen toestemming geven om te vechten.”

Zo verdroegen de Metgezellen elke pijn en elke belediging op de weg van de godsdienst, maar lieten de handgreep van het geduld niet los. Toen de drinkbeker van de vervolging van de Qoeraisj verzadigd was en begon te stromen en de God van dit universum vond dat de goddelijke boodschap onweerlegbaar was overgebracht, beval God pas toen Zijn dienaar om de stad te verlaten. De zaak had nu de grens van de vergeving overschreden en de tijd was gekomen dat de daders hun slechte einde zouden bereiken. Vandaar dat deze migratie van de Heilige Profeet (sa) een teken was van de aanvaarding van het ultimatum van de Qoeraisj. Het was een subtiele aanwijzing van God van de aankondiging van oorlog; zowel de moslims als de ongelovigen begrepen dit. Zo verwierpen de leiders van de Qoeraisj tijdens het overleg in Dārun-Nadwah, toen iemand voorstelde om de Heilige Profeet (sa) uit Mekka te verbannen, dit voorstel op grond van het feit dat als Mohammed (sa) Mekka zou verlaten, de Moslims zeker hun ultimatum zouden accepteren en het slagveld tegenover hen zouden betreden. Ter gelegenheid van de tweede Bai’at te ‘Aqabah, toen de kwestie van de migratie van de Heilige Profeet(sa) ter sprake kwam bij de Anṣār van Medina, zeiden zij onmiddellijk: “Dit houdt in dat we ons moeten voorbereiden op oorlog tegen heel Arabië.” Toen de Heilige Profeet (sa) Mekka verliet, wierp hij een bedroefde blik op de grenzen van Mekka en zei: “O Mekka! Je was mij meer geliefd dan alle andere steden, maar jouw mensen hebben mij niet toegestaan om hier te wonen.” Hierop zei Ḥaḍrat Abū Bakr(ra): “Zij hebben de Boodschapper van God verbannen. Nu zullen zij zeker vernietigd worden.”

Samenvattend, totdat de Heilige Profeet (sa) in Mekka verbleef, doorstond hij allerlei kwellingen, maar hij nam niet het zwaard op tegen de Qoeraisj. De reden hiervoor was dat ten eerste, voordat er maatregelen tegen de Qoeraisj genomen konden worden, volgens de gewoonte van Allāh, de goddelijke boodschap onweerlegbaar overgebracht moest worden, en dit vroeg om uitstel. Ten tweede was het ook de wens van God dat de Moslims een toonbeeld van vergevingsgezindheid en geduld zouden tonen tot die laatste grens, waarna zwijgen gelijk stond aan zelfmoord, wat door geen enkel weldenkend mens als een prijzenswaardige daad kan worden beschouwd. Ten derde stonden de Qoeraisj aan het hoofd van een soort democratische regering in Mekka en de Heilige Profeet (sa) was een van zijn burgers. Vandaar dat goed burgerschap vereiste dat zolang de Heilige Profeet (sa) in Mekka verbleef, hij het gezag respecteerde, en niets toestond wat de vrede zou verstoren, en wanneer de kwestie de grens van vergeving overschrijdt, hij van daar migreerde. Ten vierde was het ook noodzakelijk dat de Heilige Profeet (sa) onder hen leefde totdat zijn volk de straf verdiende vanwege hun daden in de ogen van God, en totdat de tijd om hen te vernietigen nog niet was aangebroken. De reden hiervoor is dat, volgens de gewoonte van Allāh, totdat een Profeet van God in zijn volk verblijft, zij niet getroffen worden door een bestraffing die hen zou vernietigen. Wanneer een vernietigende bestraffing dreigt, wordt de Profeet bevolen zo’n plaats te verlaten. Vanwege deze redenen had de migratie van de Heilige Profeet (sa) duidelijke aanwijzingen in zich, maar het is jammer dat deze onrechtvaardige mensen deze niet herkenden en bleven groeien in hun tirannie en onderdrukking. Want als de Qoeraisj zich zelfs nu hadden onthouden, en zich hadden onthouden van het toepassen van dwang in de godsdienst, en de Moslims hadden toegestaan om een leven van vrede te leiden, dan is God de Meest Barmhartige van hen die Barmhartig zijn, en Zijn Boodschapper was ook Raḥmatullil-‘Ālamīn. Voorwaar, zelfs dan zouden zij vergeven zijn. Echter, de geschriften van een Goddelijk besluit moesten worden vervuld. De migratie van de Heilige Profeet (sa) diende als brandstof op het vuur van de vijandschap van de Qoeraisj en zij stonden op met een nog grotere ijver en oproer dan voorheen, om de Islam uit te wissen.

Naast het toebrengen van vervolging en tirannie aan de arme en zwakke moslims, die tot nu toe nog steeds in Mekka waren, was de eerste onderneming van de Qoeraisj, zodra ze erachter kwamen dat de Heilige Profeet (sa) Mekka had verlaten, dat ze hem achtervolgden. Zij onderzochten elke centimeter van de Vallei van Bakkah, op zoek naar de Heilige Profeet(sa) en bereikten zelfs de mond van de grot van Thaur. Echter, Allāh de Verhevene hielp de Heilige Profeet(sa) en legde zo’n sluier over de ogen van de Qoeraisj, dat zij, nadat zij de plaats van bestemming bereikt hadden, gefrustreerd en zonder succes terugkeerden. Toen ze teleurgesteld raakten in deze zoektocht, maakten ze een openbare aankondiging dat een ieder die Heilige Profeet (sa) terugbracht – dood of levend – een premie van honderd kamelen zou ontvangen, wat overeenkomt met ongeveer 20.000 roepies in de munteenheid van vandaag.’

Zijne Heiligheid(aba) legde uit dat dit de waarde was in de tijd waarin Hazrat Mirza Bashir Ahmad(ra) dit boek schreef. Vandaag de dag zou dat gelijk staan aan tientallen miljoen pond.

Bedreigingen van de Qoeraisj tegen de moslims

Zijne Heiligheid(aba) vervolgde met te citeren: ‘Vele jonge mannen van de verschillende stammen van de Qoeraisj trokken er in alle richtingen op uit om de Heilige Profeet(sa) te zoeken, in hebzucht naar de premie. Zo was ook de achtervolging van Surāqah bin Mālik, die al genoemd is in Deel I van dit boek, een gevolg van deze aankondiging van beloning. De Qoeraisj werden echter ook in deze opzet tot mislukking gebracht. Als men overweegt, om oorlog te laten uitbreken tussen twee naties, is zelfs deze enige reden genoeg, omdat een premie van deze aard is ingesteld voor de Meester en Leider van de ander. In ieder geval, toen dit plan ook niet succesvol bleek en de Qoeraisj erachter kwamen dat de Heilige Profeet (sa) veilig en gezond Medina had bereikt, zoals hierboven is vermeld, stuurden de leiders van de Qoeraisj een vreselijk dreigende brief naar de hoofdleider van Medina, ‘Abdullāh bin Ubayy bin Sulūl, en zijn metgezellen:

“Jullie hebben bescherming gegeven aan een persoon van ons (d.w.z. Mohammed (sa)), en wij zweren in de naam van Allāh dat jullie of hem zullen verlaten en hem de oorlog zullen verklaren, of hem op zijn minst uit jullie stad zullen verbannen. Zo niet, dan zullen wij zeker ons hele leger verzamelen en jullie aanvallen; en wij zullen jullie mannen doden en jullie vrouwen in ons bezit nemen en hen voor onszelf wettig maken.”

De ongerustheid die de arme Muhājirīn door deze brief had kunnen overvallen is duidelijk, maar er ging ook een huivering van angst door de Anṣār heen. Toen de Heilige Profeet (sa) hier nieuws over ontving, ging hij zelf naar ‘Abdullāh bin Ubayy. De Heilige Profeet (sa) beredeneerde met hem en kalmeerde hem door te zeggen: “Je eigen bloedverwanten zijn met mij, wil je vechten tegen je eigen geliefden?” Het was in deze dagen dat Sa’d bin Mu’ādh(ra), leider van de Aus, naar Mekka kwam voor het doel van ‘Umrah. Bij het zien van hem, vergoten de ogen van Abū Jahl zich van woede met bloed en hij zei woedend: “Jij hebt (God verhoede) bescherming gegeven aan die afvallige (Mohammed (sa)). Geloven jullie dat jullie in staat zullen zijn om hem te beschermen…?” In dit tijdperk waren de Qoeraisj zo bezig met het ontwortelen van Islām dat toen Walīd bin Mughīrah, een opperhoofd van Mekka op het punt stond te sterven, hij hulpeloos begon te huilen. De mensen informeerden naar zijn lijden, waarop hij antwoordde: “Ik vrees, dat de godsdienst van Mohammed (sa) zich na mijn dood zal verspreiden.” De leiders van de Qoeraisj antwoordden door te zeggen: “Maak je geen zorgen, wij garanderen dat wij niet zullen toestaan dat zijn godsdienst zich verspreidt.” Al deze voorvallen zijn na de migratie, toen de Heilige Profeet (sa) Mekka had verlaten, verontrust door de vervolging van de Qoeraisj, en men kon denken dat de Qoeraisj de moslims in hun staat zouden laten. Dit was niet alles, integendeel, toen de Qoeraisj merkten dat de Aus en Khazraj weigerden hun bescherming van de Heilige Profeet(sa) op te geven, en men vreesde dat de Islām wortel zou schieten in Medina, trokken zij langs de andere stammen van Arabië en begonnen hen op te hitsen tegen de Moslims. Aangezien de Qoeraisj een duidelijke invloed hadden op de andere stammen van Arabië, vanwege hun bewaking van de Ka’bah, waren om deze reden, op instigatie van de Qoeraisj, vele stammen dodelijke vijanden van de moslims geworden. De staat van Medina was alsof het was omringd door een razend vuur. Als zodanig is de volgende overlevering al vermeld:

“Ubayy bin Ka’b(ra) die tot de vooraanstaande Metgezellen behoorde, vertelt: ‘Toen de Heilige Profeet(sa) en zijn Metgezellen naar Medina migreerden, en de Anṣār hen bescherming gaf, stond op zijn beurt heel Arabië collectief op tegen de moslims. In die tijd deden de moslims zelfs ‘s nachts hun wapens niet af en overdag liepen ze gewapend rond in geval van een plotselinge aanval. Ze zeiden tegen elkaar: “Laten we eens kijken of we nog leven tot we ‘s nachts in vrede kunnen slapen, zonder angst, behalve de angst voor God.”

De staat van het Hoofd der Mensheid zelf was dat:

“In het begin, toen de Heilige Profeet (sa) aankwam in Medina, bleef hij vaak wakker gedurende de nacht in vrees voor een vijandelijke aanval.”

Met betrekking tot hetzelfde tijdperk zegt de Heilige Qur’ān:

“O gij Moslims! En gedenkt den tijd, toen gij weinigen waart en in het land als zwak werd beschouwd, en in voortdurende vrees waart, dat de menschen u zouden wegrukken en u vernietigen. Maar God gaf u onderdak en ondersteunde u met Zijn hulp en opende voor u de deuren van zuivere voorziening. Daarom moeten jullie nu als dankbare dienaren leven.” (8:27)

Dit was de toestand van bedreigingen van buitenaf en zelfs in Medina was de toestand dat tot nu toe een aanzienlijk deel van onder de Aus en Khazraj vasthield aan het polytheïsme. Hoewel zij ogenschijnlijk bij hun broeders en verwanten waren, maar hoe kon men in zulke omstandigheden een polytheïst vertrouwen? Ten tweede waren er de huichelaars, die in het begin de Islām hadden aanvaard, maar in het geheim waren zij vijanden van de Islām, en hun aanwezigheid in Medina vormde een bedreiging. Ten derde waren er de Joden, met wie er weliswaar een verdrag was, maar voor deze Joden was de waarde van dit verdrag niets. Op deze manier waren er dus zelfs in Medina zelf zulke elementen aanwezig, die niet minder waren dan een opslagplaats van verborgen munitie tegen de moslims. Een klein vonkje van de Arabische stammen was genoeg om deze munitie in brand te steken, en de moslims van Medina met één klap te vernietigen. Op dit kwetsbare moment, dat nog nooit eerder een kritieker moment voor de moslims was aangebroken, werd goddelijke openbaring naar de Heilige Profeet (sa) gezonden, dat hij nu ook het zwaard ter hand moest nemen in verzet tegen deze ongelovigen, die het strijdveld tegen hem waren opgegaan, zwaard in de hand, puur uit onrechtvaardigheid en tirannie. Op deze manier werd Jihād door het zwaard aangekondigd.”‘ (The Life & Character of the Seal of Prophets Vol II pp. 54-60)

De eerste keer dat Jihad met het zwaard werd toegestaan

Zijne Heiligheid(aba) zei dat volgens het onderzoek van Hazrat Mirza Bashir Ahmad(ra), het eerste vers betreffende Jihad met het zwaard geopenbaard aan de Heilige Profeet(sa) in 12 Safar 2 AH was. Het is ook vastgelegd in sommige vertellingen dat dit vers werd geopenbaard in de tijd van migratie, omdat de Heilige Profeet(sa) was begonnen met het sturen van gezanten voor de bescherming van Medina tegen echte bedreigingen. In ieder geval was dit de allereerste keer dat de Heilige Profeet (sa) toestemming van God had gekregen om het zwaard op te nemen ter verdediging tegen het verachtelijke onrecht en de wreedheden die hem werden aangedaan. Het vers uit de Koran dat in dit verband werd geopenbaard was:

“Toestemming om te vechten is verleend aan de moslims tegen wie de ongelovigen het zwaard hebben opgenomen, omdat hun onrecht is aangedaan, Zij die onrechtvaardig uit hun huizen zijn verdreven, alleen omdat zij zeiden: “Onze Heer is Allāh” – En als Allāh de Verhevene sommige mensen niet met behulp van anderen had afgeweerd (door toestemming te geven voor een verdedigingsoorlog), dan zouden er zeker kloosters van monniken zijn neergehaald en christelijke kerken en joodse synagogen en moskeeën, waarin de naam van God vaak wordt herdacht. En Allāh de Verhevene zal zeker degene helpen die Hem helpt. Ongetwijfeld is Allāh de Verhevene machtig, machtig.”‘ (22:40-41)

Zijne Heiligheid(aba) zei dat dit niet alleen ter bescherming van de moslims was, maar door het noemen van de gebedshuizen van andere religies, beschermt dit vers ook de rechten en vrijheden van andere religies.

Vier strategieën ingezet tijdens de vijandelijkheden tegen de moslims

Zijne Heiligheid(aba) citeerde verder Hazrat Mirza Bashir Ahmad(ra) die de eerste vier strategieën schrijft die gebruikt werden door de Heilige Profeet(sa):

EERSTE: De Heilige Profeet(sa) begon naar nabijgelegen stammen te reizen en vredesverdragen met hen te sluiten, zodat de omliggende regio van Medina vrij van dreiging zou worden. In dit opzicht gaf de Heilige Profeet(sa) speciale aandacht aan die stammen die dicht bij de Syrische handelsroute van de Qoeraisj lagen. Zoals iedereen kan begrijpen, waren het juist deze stammen van wie de Qoeraisj van Mekka het meeste voordeel tegen de moslims hadden kunnen behalen en wiens vijandschap tot ernstige bedreigingen voor de moslims had kunnen leiden.

TWEEDE: De Heilige Profeet (sa) begon kleine compagnieën uit te zenden om inlichtingen te verkrijgen in verschillende richtingen vanuit Medina, zodat hij op de hoogte kon blijven van de bewegingen van de Qoeraisj en hun bondgenoten; en de Qoeraisj begrepen ook dat de moslims niet onoplettend waren, zodat Medina op deze manier gevrijwaard kon blijven van de gevaren van plotselinge aanvallen.

DERDE: Een andere wijsheid in het zenden van deze partijen was zodat de zwakke en arme moslims van Mekka en de omliggende gebieden door deze middelen een kans konden vinden om zich bij de moslims van Medina aan te sluiten. Tot nu toe waren er veel mensen in de regio van Mekka die moslims in hart en nieren waren, maar niet in staat waren om openlijk hun geloof in de Islām te belijden vanwege de wreedheden van de Qoeraisj. Bovendien konden zij vanwege hun armoede en zwakte ook niet migreren, omdat de Qoeraisj zulke mensen met geweld van migratie zouden weerhouden…

VIERDE: De vierde strategie die de Heilige Profeet (sa) gebruikte was dat hij de handelskaravanen van de Qoeraisj begon te onderscheppen die van Mekka naar Syrië reisden en onderweg Medina passeerden. De reden hiervoor was dat ten eerste deze karavanen een vuur van vijandschap tegen de moslims zouden aanwakkeren, waar ze ook heen reisden. Het is duidelijk dat het zaaien van vijandschap in de omgeving van Medina extreem gevaarlijk was voor de moslims. Ten tweede, deze karavanen zouden altijd gewapend zijn en iedereen kan begrijpen dat het passeren van zulke karavanen zo dicht bij Medina niet zonder gevaar was. Ten derde was het levensonderhoud van de Qoeraisj voornamelijk afhankelijk van de handel. Daarom was in deze omstandigheden het belemmeren van hun handelsroute het meest definitieve en effectieve middel om de Qoeraisj te onderwerpen, een einde te maken aan hun wreedheden en hen tot verzoening te dwingen. Als zodanig getuigt de geschiedenis van het feit dat onder de factoren die de Qoeraisj uiteindelijk tot verzoening dwongen, het onderscheppen van deze handelskaravanen een uiterst centrale rol speelde. Dit was dus een uiterst schrandere strategie die op het juiste moment vruchten afwierp. Ten vierde werd de opbrengst van deze karavanen van de Qoeraisj meestal besteed aan pogingen om de Islām te elimineren. Integendeel, sommige karavanen werden zelfs gestuurd met als enige doel dat hun gehele winst gebruikt zou kunnen worden tegen de Moslims. In dit geval kan ieder individu begrijpen dat het onderscheppen van deze karavanen op zichzelf een absoluut legitiem motief was.’The Life & Character of the Seal of Prophets Vol II pp. 90-92)

Zijne Heiligheid(aba) zei dat dit onderwerp in toekomstige preken zou worden voortgezet.

Begrafenisgebeden

Zijne Heiligheid(aba) zei dat hij de begrafenisgebeden zou leiden van de volgende overleden leden:

Khawaja Muniruddin Qamar uit het Verenigd Koninkrijk, die op 27 mei 2023 is overleden. Hij was de kleinzoon van een metgezel van de Beloofde Messias(as). In feite zag de Beloofde Messias(as) zijn vader ook toen hij erg jong was. Zijn vader was de eerste centrale voorzitter van Majlis Khuddamul Ahmadiyya (Ahmadiyya Moslim Jeugd Vereniging). Khawaja Muniruddin Qamar had de eer om de Adhan (oproep tot gebed) op te roepen in de Fazl Moskee in het Verenigd Koninkrijk ten tijde van de Vierde Kalief. Hij was ook voorzitter van de lokale afdeling van de Fazl Moskee en Putney. Na zijn pensionering wijdde hij zijn leven aan de dienst van de Islam en bekleedde verschillende functies. Hij werkte op kantoor tot een dag voor zijn overlijden. Hij bezat vele grote en deugdzame kwaliteiten. Hij wordt overleefd door zijn vrouw, twee zonen en twee dochters. Hij was ook de oom van moederszijde van de Nationale President van de Ahmadiyya Moslim Gemeenschap UK. Zijne Heiligheid (aba) bad dat Allah de Almachtige hem vergiffenis en barmhartigheid moge schenken en zijn stand verheffen.

Dr Mirza Mubashar Ahmad was de kleinzoon van de Tweede Kalief (ra). Na zijn studie in Pakistan werkte hij enige tijd in Rabwah, waarna hij naar Londen reisde om aan het Royal College of Surgeons Edinburgh te studeren. Hij had zijn leven gewijd aan de dienst van de Islam en keerde daarom terug naar Pakistan, waar hij ongeveer 50 jaar in het Fazle Umar Ziekenhuis werkte. Hij werd ook benoemd tot lid van de Waqf-e-Jadid Board door de Vierde Kalief (rh), een functie die hij bleef bekleden tot aan zijn dood. Hij zorgde altijd voor zijn familieleden. Hij had ook de mogelijkheid om de ouderen in zijn familie te dienen en te behandelen, samen met het behandelen van anderen die minder fortuinlijk waren. Hij gaf ook financiële hulp aan meisjes om een opleiding te volgen en hielp zelfs bij het financieren van hun huwelijken. Hij had een diepe band met de Kaliefen. Niet alleen was hij tijdens zijn leven verwant met de Kaliefen, maar hij toonde ook altijd groot respect en eerbied voor hen. Zijne Heiligheid(aba) zei dat ondanks dat hij ouder was, Dr Mirza Mubashar Ahmad hem altijd met groot respect behandelde. Tijdens zijn laatste ziekte vroeg de Vierde Kalief om Dr Mirza Mubashar Ahmad, die onmiddellijk naar hem toe reisde en bij hem bleef tot aan zijn dood. Hij zou vaak reizen om de Vierde Kalief(rh) te helpen behandelen tijdens een periode van ziekte. Er wordt gezegd dat zelfs niet-Ahmadi’s en tegenstanders van de Ahmadiyya Moslim Gemeenschap hem in het geheim bezochten om zich te laten behandelen. Er was een kleine lepel die de Beloofde Messias tijdens zijn ziekte gebruikte om medicijnen in te nemen. Deze zelfde lepel kwam in het bezit van Dr Mirza Mubashar Ahmad, die hij soms omwille van de zegeningen gebruikte tijdens het geven van medicijnen aan sommige van zijn patiënten. Zijn afwezigheid is zeer gevoeld door iedereen, zowel Ahmadi’s en niet-Ahmadi’s als het ziekenhuispersoneel en vele anderen. Veel mensen schreven Zijne Heiligheid(aba) over de geweldige relaties die hij met iedereen onderhield. Zijne Heiligheid(aba) zei dat degenen die na hun dood gecomplimenteerd worden, bestemd zijn voor de Hemel. Zijne Heiligheid(aba) bad dat dit waar zou blijken te zijn in het geval van Dr Mirza Mubashar Ahmad. Zijne Heiligheid(aba) bad dat moge Allah de Almachtige hem vergiffenis en genade schenken en hem een plaats onder Zijn geliefden schenken.

Syeda Amatul Basit was de vrouw van Syed Mahmood Ahmad Basit. Ze was de dochter van Syed Abdul Razzaq Shah en het nichtje van Hazrat Umm Tahir. Ze was regelmatig in het aanbieden van gebeden, waaronder Tahajjud (vrijwillig gebed voor zonsopgang). Ze stond altijd vooraan om de armen te helpen. Ze is overleefd door haar man, een zoon en twee dochters. Ze was geliefd bij iedereen en had een diepe liefde voor het Kalifaat. Ze uitte nooit haar eigen pijn en richtte zich in plaats daarvan op het dienen van de armen en de mensheid, of dat nu was door hen fysiek te dienen, voor hen te bidden of aalmoezen te geven. Ze was erg biddend en had een sterke band met God. Zijne Heiligheid (aba) bad dat Allah haar vergiffenis en barmhartigheid moge schenken, haar status mocht verhogen en haar kinderen in staat mocht stellen de erfenis van haar deugden voort te zetten.

Sharif Ahmad Bandesha van Faisalabad, Pakistan. Zijn zoon, Rahmatullah Bandesha, is missionaris. Hij was lange tijd de plaatselijke voorzitter van de gemeenschap in zijn dorp. Hij bezat vele grote kwaliteiten. Hij had een hoog gebedsniveau, diende de armen en onderhield goede relaties met zijn familie en alle anderen. Hij is overleefd door vijf zonen en drie dochters. Zijne Heiligheid (aba) bad dat Allah de Almachtige hem vergiffenis en barmhartigheid moge schenken, zijn stand verheffen en zijn kinderen in staat stellen om de erfenis van zijn deugden voort te zetten.

Samenvatting vrijdagpreek door de Ishaat team MKA NL. De Ishaat team neemt de volledige verantwoordelijkheid voor eventuele fouten of miscommunicatie in deze samenvatting van de vrijdagpreek